Centrale Raad van Beroep, 03-08-2006 / 05-5563 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2006:AY5972

Inhoudsindicatie
Aanvraag erkenning burgeroorlogsslachtoffer en verzoek toekenning periodieke uitkering. Voldoent niet aan nationaliteitseis. Toepassing anti-hardheidsbepaling.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-08-03
Publicatiedatum
2006-08-09
Zaaknummer
05-5563 WUBO
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

05/5563 WUBO


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[appellante], wonende te [woonplaats], Hawaii (U.S.A.) (hierna: appellante),


en


de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)


Datum uitspraak: 3 augustus 2006

I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 27 mei 2005, kenmerk JZ/C60/2005, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2006. Daar is appellante, zoals medegedeeld, niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.


II. OVERWEGINGEN


Appellante, geboren [in] 1934 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in augustus 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering.


Verweerster heeft besluit van 28 januari 2005 afwijzend op de aanvraag beslist, onder de overweging dat appellante weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld maar zij niet voldoet aan de in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet gestelde nationaliteits- en territorialiteitseisen en er geen aanleiding bestaat om in deze gebruik te maken van de in artikel 3, zesde lid, van de Wet gegeven bevoegdheid om wegens klaarblijkelijke hardheid aan deze eisen voorbij te gaan.


Verweerster heeft dat besluit - na daartegen gemaakt bezwaar - gehandhaafd bij het thans bestreden besluit.


De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellante in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.


Vaststaat dat appellante niet voldoet aan de ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet geldende vereisten dat degene die als burger is getroffen door oorlogsgeweld de Nederlandse nationaliteit bezit en op de datum van de aanvraag hier te lande gevestigd is. Deze vereisten vloeien voort uit het bij de totstandkoming van de Wet vastgestelde uitgangspunt dat de bijzondere solidariteitsplicht jegens burger-oorlogsslachtoffers die aan de Wet ten grondslag ligt, een naar woonland en nationaliteit beperkte reikwijdte heeft.


Ingevolge artikel 3, zesde lid, van de Wet kan verweerster de Wet tevens van toepassing verklaren op degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of daarna als burger is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, doch niet aan evenvermelde eisen voldoet, indien het niet toepassen van de Wet zou leiden tot een klaarblijkelijke hardheid.

De bij artikel 3, zesde lid, van de Wet aan verweerster verleende bevoegdheid is discretionair van aard. Dit betekent dat de Raad een weigering van verweerster om van deze bevoegdheid gebruik te maken als juist dient te aanvaarden, tenzij moet worden gezegd dat verweerster, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, niet in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen, dan wel bij haar besluit heeft gehandeld in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel enig algemeen rechtsbeginsel.

Bij het uitoefenen van eerdergenoemde bevoegdheid hanteert verweerster als algemeen criterium dat het buiten Nederland gevestigd zijn moet zijn veroorzaakt door omstandig-heden welke, objectief gezien, buiten de directe invloedsfeer van betrokkene liggen c.q. met zich meebrengen dat in redelijkheid niet van betrokkene verwacht had mogen worden dat hij niet tot die vestiging buiten Nederland zou zijn overgegaan. Hierbij denkt verweerster met name aan grenscorrecties en medische motieven. Met betrekking tot het zich vestigen in het buitenland op grond van medische motieven is verweerster van oordeel dat de anti-hardheidsbepaling van toepassing is indien er sprake is (geweest) van een stringente medische noodzaak tot vestiging in het buitenland van ofwel de burger die getroffen is geweest door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet of zijn of haar huwelijkse partner dan wel tot het gezin behorende minderjarige kinderen.


Volgens vaste rechtspraak van de Raad is de restrictieve wijze waarop verweerster gebruik maakt van haar bevoegdheid tot toepassing van de anti-hardheidsbepaling niet onaanvaardbaar.


Appellante heeft aangevoerd - samengevat - dat zij in 1960 naar de Verenigde Staten van Amerika is geëmigreerd omdat haar echtgenoot het koude/vochtige klimaat in Nederland niet kon verdragen en zij als gehuwde vrouw genoodzaakt was haar echtgenoot te volgen.


Verweerster heeft in de situatie van appellante geen aanleiding gezien om de anti-hardheidsbepaling toe te passen omdat niet is gebleken van een medische reden tot vestiging in de Verenigde Staten van Amerika.


Naar het oordeel van de Raad kan de bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering om toepassing te geven aan de anti-hardheidsbepaling de aan te leggen terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan. Daartoe wordt overwogen dat niet is gebleken noch is gesteld dat er in het geval van appellante dan wel haar echtgenoot een dringende medische noodzaak was voor vestiging buiten Nederland. Van andere buiten de wil of invloedsfeer van appellante gelegen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot toepassing van de in artikel 3, zesde lid, van de Wet neergelegde anti-hardheidsbepaling, is de Raad evenmin gebleken.


Voorzover appellante heeft aangevoerd het onredelijk te achten dat zij niet onder de werking van de Wet kan worden gebracht terwijl zij tijdens Bersiap-periode de Nederlandse nationaliteit had en in dezelfde omstandigheden heeft verkeerd als haar in Nederland woonachtige familieleden overweegt de Raad het volgende. Indien de in Nederland woonachtige familieleden wel zijn erkend, kan dat geen grond vormen voor het oordeel dat in het geval van appellante sprake is van klaarblijkelijke hardheid, nu de Wet juist uitgaat van het vereiste dat betrokkene ten tijde van de aanvraag in Nederland woont.


Uit het vorenstaande vloeit voort dat het beroep van appellante ongegrond moet worden verklaard.


De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot een vergoeding van proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2006.


(get.) H.R. Geerling-Brouwer.


(get.) J.P. Schieveen.