Centrale Raad van Beroep, 17-08-2006 / 06/164 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2006:AY6673

Inhoudsindicatie
Wederom afwijzing tot erkenning als burgeroorlogsslachtoffer omdat geen relevante nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangedragen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-08-17
Publicatiedatum
2006-08-22
Zaaknummer
06/164 WUBO
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

06/164 WUBO


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


en


de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, (hierna: verweerster)


Datum uitspraak: 17 augustus 2006

I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft A.E. Hollard, broer van appellante en wonende te Den Haag,

beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 30 november 2005, kenmerk JZ/A70/2005, ten aanzien van appellante genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2006. Appellante is in persoon verschenen met bijstand van A.E. Hollard voornoemd. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.



II. OVERWEGINGEN


Appellante, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in december 1996 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslacht-offer in de zin van de Wet en voorts in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering alsmede een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet. Appellante heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten, in het bijzonder psychische klachten, die naar haar mening het gevolg zijn van haar oorlogservaringen tijdens de Japanse bezetting en de zogenoemde Bersiap-periode.


Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 28 november 1997. Daartoe is overwogen dat appellante, vanwege haar gevangenhouding in een schoolgebouw in Solo tijdens de Japanse bezetting, wel is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet, maar dat er geen sprake is van lichamelijk of psychisch letsel leidende tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wet als gevolg van de haar overkomen oorlogsgebeurtenissen. Verweerster acht de gezondheidsklachten van appellante duidelijk uit andere oorzaken dan haar oorlogservaringen ontstaan dan wel niet-invaliderend in de zin van de Wet tot uiting gekomen.


In januari 1999 heeft appellante verweerster opnieuw verzocht haar onder meer voor een periodieke uitkering ingevolge de Wet in aanmerking te brengen. Verweerster heeft dit verzoek opgevat als een hernieuwde aanvraag om uitkering ingevolge de Wet en deze aanvraag bij besluit van 4 oktober 1999, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

11 april 2000, afgewezen. Verweerster heeft daartoe overwogen dat bij appellante geen sprake is van psychisch of lichamelijk letsel leidende tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wet als gevolg van haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.


Bij uitspraak van 1 augustus 2002, nr. 00/2672 WUBO, heeft deze Raad het beroep van appellante tegen het besluit van 11 april 2000 ongegrond verklaard. De Raad heeft onder meer overwogen dat de gebeurtenissen rond de vader van appellante niet als calamiteit in de zin van de Wet kunnen worden gezien en dat het aanvaardbaar is te achten dat deze gebeurtenissen niet worden meegenomen bij de toepassing van het door verweerster gevoerde beleid met betrekking tot de zogenoemde sequentiële oorlogstraumatisering. De Raad heeft in dit verband van belang geacht dat voor hem, gelet op de voorhanden medische gegevens, niet is komen vast te staan dat de in het geval van appellante geverifieerde calamiteit, te weten haar gevangenhouding in het schoolgebouw te Solo, van betekenende invloed is geweest op het ontstaan van de psychische problematiek van appellante.


In december 2002 is namens appellante nogmaals een aanvraag ingediend om haar in aanmerking te brengen voor een periodieke uitkering, een toeslag en voorzieningen op grond van de Wet.


Verweerster heeft ook deze aanvraag afgewezen, nu bij besluit van 25 juni 2003, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 oktober 2003, op de grond dat appellante geen relevante nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd die aanleiding geven tot herziening van het over de eerdere aanvraag van appellante genomen besluit.


Bij uitspraak van 20 januari 2005, nr. 03/6097 WUBO, heeft de Raad het beroep van appellante tegen het besluit van 30 oktober 2003 ongegrond verklaard. De Raad heeft daarbij, onder verwijzing naar zijn eerder vermelde uitspraak van 1 augustus 2002, overwogen dat namens appellante in het kader van haar verzoek om herziening geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd met betrekking tot de - door de Raad onderschreven - zienswijze die door verweerster in het kader van de vorige beroeps-procedure is ingenomen. Voorts heeft de Raad erop gewezen dat het rapport van psychiater Horsman, waarnaar de gemachtigde van appellante had verwezen, ook in de vorige beroepsprocedure aan de orde is geweest en door de Raad in zijn oordeelsvorming is betrokken.


Bij brief van 13 juni 2005 heeft (de gemachtigde van) appellante wederom een verzoek gedaan om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en om toekenning van de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet, alsmede toekenning van een periodieke uitkering en enkele bijzondere voorzieningen, een en ander in plaats van de door verweerster wel aan appellante toegekende faciliteiten in het kader van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV).


Bij besluit van 29 september 2005, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit van

30 november 2005, heeft verweerster dit verzoek afgewezen, op de grond - kort gezegd - dat appellante bij haar herzieningsverzoek en ook tijdens de bezwaarprocedure geen relevante nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld. Voorts, dat niet is gebleken van gewijzigde omstandigheden, noch dat de beslissing destijds niet juist is geweest.


De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.


Voorop stelt de Raad vast dat de hiervoor genoemde aanvraag van juni 2005 - zoals ook verweerster terecht heeft vastgesteld - het karakter draagt van een verzoek om herziening van het door verweerster eerder genomen besluit van 28 november 1997.


Ingevolge het bepaalde in artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd, op daartoe door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag, een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien, Deze bevoegdheid is van discretionaire aard, hetgeen betekent dat de Raad het besluit slechts met terug-houdendheid kan toetsen. Deze toetsing draagt temeer een terughoudend karakter nu het hier een tweede verzoek om herziening betreft.


Bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is staat centraal de vraag of appellante bij haar verzoek dan wel in bezwaar nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aan verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit niet bekend waren en waarin verweerster aanleiding had moeten vinden dat besluit te herzien.


Van dergelijke gegevens is de Raad, evenals verweerster, niet gebleken. Met verweerster is de Raad van oordeel dat de omstandigheid dat appellante in het kader van de WUV inmiddels is gelijkgesteld met de vervolgde, dit in verband met het omkomen van haar vader tijdens zijn vervolging, doch niet krachtens de Wet is aanvaard als burger-oorlogsslachtoffer - in afwijking van andere familieleden met dezelfde oorlogsomstan-digheden - op zich geen reden is een ander standpunt in te nemen ten aanzien van de voor de toepassing van de Wet geldende eigen toekenningscriteria. Beslissend daarbij is voor appellante dat de oorlogsgebeurtenissen met betrekking tot de vader niet onder de werking van de Wet vallen en appellante uitsluitend aanspraken krachtens de Wet kan ontlenen indien de geverifieerde calamiteit, te weten het verblijf te Solo tijdens de Japanse bezetting, van betekenende invloed is geweest op de psychische klachten van appellante.

In het geval van appellante heeft de individuele medische beoordeling ertoe geleid dat de voor de WUV cruciale gebeurtenis, het omkomen van haar vader, appellante in betekenende mate blijvende causale gezondheidsschade heeft toegebracht, in tegenstelling tot de voor de Wet cruciale gebeurtenis, het verblijf te Solo. Daarom kan appellante wel aanspraken ontlenen aan de WUV, doch niet aan de Wet zoals haar familieleden waarnaar zij verwijst. De gevolgen van de oorlogservaringen voor de gezondheidstoestand verschillen nu eenmaal per persoon. Dit kan ertoe leiden - zoals in het geval van appellante - dat niet iedereen uit dezelfde familie, met dezelfde oorlogs-ervaringen, aanspraken aan de Wet kan ontlenen.


Nu al eerder rechtens is vastgesteld dat appellante aan de Wet geen aanspraken kon ontlenen en op dat punt geen relevante nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangedragen, behoefde verweerster haar standpunt dienaangaande niet te wijzigen. Dit betekent ook dat verweerster de aanspraken die appellante aan de WUV ontleent, niet kan omzetten in aanspraken op grond van de Wet.

Een zodanige omzetting is alleen mogelijk indien een aanvrager in beginsel aan beide wetten aanspraken zou kunnen ontlenen. Aangezien het vanwege anti-cumulatie bepalingen (artikel 4 van de Wet) niet mogelijk is tegelijkertijd een uitkering of voor-ziening ingevolge de WUV én ingevolge de Wet te verkrijgen, plegen verweerster en de Raadskamer WUV dan te bezien welke wet voor de betrokkene het meest gunstige financiële resultaat biedt. Indien de Wet het meest gunstige resultaat biedt, wordt de betrokkene dan in de gelegenheid gesteld om zijn aanspraken op grond van de WUV in te trekken, zodat de weg vrijkomt voor uitkeringen of voorzieningen op grond van de Wet.

Zoals hiervoor al vermeld is dit laatste alleen mogelijk indien de betrokkene (ook) recht- hebbende is in de zin van de Wet.


Gezien het vorenstaande houdt het bestreden besluit in rechte stand. Dit betekent dat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.


De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Ravenschlag als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2006.


(get.) G.L.M.J. Stevens.


(get.) I. Ravenschlag.


HD

07.07