Centrale Raad van Beroep, 23-08-2006 / 05-5734 WW


ECLI:NL:CRVB:2006:AY7025

Inhoudsindicatie
Overneming betalingsverplichting werkgever. Opgebouwde provisie.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-08-23
Publicatiedatum
2006-08-29
Zaaknummer
05-5734 WW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

05/5734 WW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 augustus 2005, 04/3236 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 23 augustus 2006.


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J. Heek, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2006. Appellante is - met bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.


2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.


2.1. Appellante is op 1 november 2001 bij [naamwerkgever] (hierna: de werkgever) in dienst getreden als vertegenwoordiger. Blijkens de arbeidsovereenkomst verdiende appellante een vast salaris en ontving zij daarnaast een provisie van 1% over de geschreven en gefactureerde omzet in het toegewezen rayon.


2.2. De werkgever is op 25 maart 2004 in staat van faillissement verklaard, waarna de curator het dienstverband met appellante met onmiddelijke ingang en tegen de rechtens vroegst mogelijke datum heeft opgezegd. Appellante is op

26 maart 2004 weer aan het werk gegaan bij [naam werkgever 2]


2.3. In verband met het faillissement van de werkgever heeft het Uwv op grond van hoofdstuk IV van de WW een aantal verplichtingen van de werkgever overgenomen, waaronder een bedrag aan provisie van € 150,04. Het hiertegen door appellante ingediende bezwaar heeft het Uwv - na nadere informatie te hebben verkregen van de voormalig directeur van appellantes werkgever - bij het bestreden besluit van 3 november 2004 gegrond verklaard. Volgens het Uwv kan alleen de provisie die kan worden toegerekend aan de periode 25 december 2003 tot en met 25 maart 2004 worden overgenomen, hetgeen betekent dat appellante - uitgaande van een provisie op jaarbasis van € 4.306,87 en rekening houdend met de reeds betaalde voorschotten van € 552,74 - nog een bedrag ontvangt van € 536,35. Dat de gehele provisie van € 4.306,87

- onder aftrek van de betaalde voorschotten - door de werkgever, als deze niet failliet was gegaan, in de maand maart 2004, en dus in de termijn genoemd in artikel 64 van de WW, zou worden uitbetaald, betekent volgens het Uwv niet dat dit gehele bedrag voor overneming in aanmerking komt.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


4. In hoger beroep stelt appellante wederom dat de gehele provisie van € 4.306,87, onder aftrek van de door de werkgever reeds betaalde voorschotten, door het Uwv moet worden overgenomen. Zij voert daartoe aan dat pas na afloop van het verkoopseizoen, in maart, de omzet kon worden vastgesteld en dan pas recht op provisie ontstond. Appellante is derhalve van mening dat de provisie daadwerkelijk werd verdiend in de maand maart 2004 en daarmee is toe te rekenen aan de termijn genoemd in artikel 64 van de WW.


5. De Raad overweegt het volgende.


5.1. Tussen partijen staat vast dat de in artikel 64 van de WW genoemde termijn waarover de provisie kan worden overgenomen loopt van 25 december 2003 tot en met 25 maart 2004. In hoger beroep is uitsluitend de wijze van toerekening van de provisie aan deze termijn in geschil.


5.2. Uit de aard en strekking van de provisieregeling, zoals deze naar voren komt uit de brieven van de voormalig directeur van de werkgever van 19 juli 2004 en 23 september 2004, leidt de Raad, evenals de rechtbank, af dat het recht op provisie gedurende het gehele jaar geleidelijk werd opgebouwd. Dit betekent dat slechts de in de periode van 25 december 2003 tot en met 25 maart 2004 opgebouwde provisie kan worden toegerekend aan de termijn genoemd in artikel 64 van de WW en slechts dit gedeelte van de totale provisie voor overneming door het Uwv in aanmerking komt. Het door appellante ingenomen standpunt dat de provisie moet worden toegerekend aan het tijdstip waarop deze feitelijk tot uitbetaling had kunnen komen, dient, gelet op het vorenstaande, dan ook te worden verworpen.


5.3. Het hoger beroep van appellante kan derhalve niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.J. Goorden en R.P.Th. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.H. Peper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2006.


(get.) H. Bolt.


(get.) S.H. Peper.