Centrale Raad van Beroep, 31-08-2006 / 06-474 WW


ECLI:NL:CRVB:2006:AY7617

Inhoudsindicatie
Zijn bij de berekening van het WW-dagloon ten onrechte de overuren niet meegenomen?
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-08-31
Publicatiedatum
2006-09-06
Zaaknummer
06-474 WW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

06/474 WW


Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 25 november 2005, 04/3048 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)




Datum uitspraak: 31 augustus 2006

I. PROCESVERLOOP


Namens appellant is hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 13 juli 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. drs. A.A.P.M. Theunen, advocaat te Valkenswaard. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door L. den Hartog, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.



II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in geding zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de op deze wetten rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde in geding.


Appellant heeft tot 20 februari 2004 als internationaal vrachtwagenchauffeur werkzaamheden verricht voor Van den Bosch Transporten B.V. Bij besluit van 9 maart 2004 heeft het Uwv appellant met ingang van 23 februari 2004 in aanmerking gebracht voor een uitkering krachtens de WW, waarbij zijn dagloon is vastgesteld op € 106,83.


Bij het bestreden besluit van 13 september 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellant, dat bij de berekening van het dagloon ten onrechte de overuren niet zijn meegenomen, ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij overwogen dat het verrichten van overwerk vooral wordt ingegeven door organisatorische en bedrijfseconomische redenen en als zodanig niet inherent is aan de functie van internationaal chauffeur.


De rechtbank heeft onder verwijzing naar ’s Raads uitspraken van 11 december 1991, LJN ZB2152 en 29 oktober 1998, LJN AG8610 de zienswijze van appellant verworpen en het standpunt van het Uwv onderschreven.


In hoger beroep staat de Raad voor de vraag of de uren die appellant meer heeft gewerkt dan 40 uur per week dienen te worden gekwalificeerd als overwerk. Onder verwijzing naar de door de rechtbank aangehaalde en hierboven weergegeven jurisprudentie is de Raad van oordeel dat de door appellant boven de 40 uur per week gewerkte uren als overwerk gekwalificeerd moeten worden en derhalve terecht op grond van het bepaalde in artikel 1, derde lid, aanhef en sub g van de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid, niet zijn meegenomen in de berekening van het

WW-dagloon van appellant.


Ten aanzien van de namens appellant ter zitting herhaalde grief dat het Uwv gebruik had moeten maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid ex artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) merkt de Raad op dat in het onderhavige geval geen sprake is van een beleidsregel maar van op de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid gebaseerde regels bij de toepassing waarvan aan het Uwv geen beleidsvrijheid toekomt.


Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en

N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2006.


(get.) R.C. Schoemaker.



(get.) R.E. Lysen.


RB2808