Centrale Raad van Beroep, 31-08-2006 / 05-6977 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2006:AY7705

Inhoudsindicatie
Geen erkenning als burgeroorlogsslachtoffer omdat geen sprake is van lichamelijke of psychische klachten die gerelateerd kunnen worden aan de internering.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-08-31
Publicatiedatum
2006-09-07
Zaaknummer
05-6977 WUBO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

05/6977 WUBO








Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K









in het geding tussen:


[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


en


de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)










Datum uitspraak: 31 augustus 2006



I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 15 november 2005, kenmerk JZ/M70/2005, ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2006. Appellant is daar verschenen bij gemachtigde mr. J.C.M. van Berkel voornoemd. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.



II. OVERWEGINGEN


Appellant, geboren op 30 mei 1943 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in maart 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om als burgeroorlogsslachtoffer in de zin van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en voorzieningen. Deze aanvraag heeft appellant gebaseerd op bij hem bestaande klachten, die hij toeschrijft aan zijn ervaringen tijdens de Japanse bezetting van Nederlands Indië en met name zijn internering in de daarop volgende Bersiap periode. Bij besluit van 26 november 2004 heeft verweerster de aanvraag van eiser afgewezen en deze afwijzing is na gemaakt bezwaar bij het thans bestreden besluit gehandhaafd. Verweerster heeft hierbij overwogen dat is komen vast te staan dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet, te weten zijn internering in huize Soepardan te Poerwakarta, dat blijkens de gedingstukken van 2 december 1945 tot 5 februari 1946 dienst deed als republikeins kamp. Verweerster heeft geoordeeld dat appellant niet kan worden erkend als burgeroorlogsslachtoffer in de zin van de Wet omdat bij hem geen sprake is van lichamelijke of psychische klachten die gerelateerd kunnen worden aan deze internering.


Appellant kan zich met het standpunt van verweerster niet verenigen. Hij heeft onder verwijzing naar het in bezwaar door hem ingebrachte rapport van H.J.Th.M. Corstens, psychiater te Maastricht, alsmede naar door zijn huisarts verschafte informatie aangevoerd dat bij hem sprake is van psychische klachten, die aan zijn internering dienen te worden toegeschreven.


De Raad overweegt als volgt.


Verweerster heeft bij haar thans bestreden besluit het advies gevolgd van haar geneeskundig adviseur, die op basis van een vanwege verweerster gehouden medisch onderzoek door de arts J.H. Husken alsmede op basis van informatie verkregen uit de behandelende sector en van de voormalige GMD het standpunt heeft ingenomen dat de kortdurende internering tijdens de Bersiap periode niet een zodanig aandeel heeft in het geheel van de traumatiserende gebeurtenissen tijdens de Japanse tijd en de Bersiap periode dat hieraan de bij appellant aanwezige angststoornis kan worden toegeschreven. Naast een constitutionele factor acht deze geneeskundig adviseur bepalend voor het ontstaan van appellants psychische klachten een complex van omgevingsfactoren, zoals algemene oorlogservaringen, het verlies van twee zusjes, een overbezorgde moeder die visueel gehandicapt was en een uithuisplaatsing.


De Raad heeft in de gedingstukken van medische aard geen aanknopingspunten gevonden om het door verweerster ingenomen standpunt onjuist te achten. Hij heeft dit oordeel mede gebaseerd op de rapportage van psychiater Corstens voornoemd, waaruit de Raad geen ander standpunt omtrent het ontstaan van appellants psychische klachten heeft kunnen afleiden, nu ook deze psychiater het aannemelijk acht dat de algemene omstandigheden waaronder appellant van 0 tot 7 jaar opgegroeid is, sterk hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van zijn angstsymptomen en de bij hem aanwezige afhankelijke persoonlijkheidsstoornis.


Voor de Raad is op grond van de voorhanden gegevens genoegzaam komen vast te staan dat de internering in huize Soepardan geen invloed van betekenis heeft gehad op het ontstaan van appellants psychische klachten. Onder deze omstandigheden gaat het naar het oordeel van de Raad te ver om uitsluitend met toepassing van de omgekeerde bewijslast, als door appellants gemachtigde is bepleit, het geheel van appellants psychische klachten voor toepassing van de Wet als causaal te zien. Onder deze omstandigheden kan de Raad voorts voorbij gaan aan het beroep dat door appellant is gedaan op het door verweerster in zaken van jeugdige oorlogsslachtoffers gehanteerde beleid inzake sequentiële oorlogstraumatisering, nu gezien het vorenstaande in het geval van appellant niet wordt voldaan aan de in dat kader door verweerster gehanteerde en door de Raad steeds geaccepteerde voorwaarde dat de geverifieerde calamiteit, in het geval van appellant de internering in huize Soepardan, van betekenende invloed is geweest op het ontstaan van de psychische klachten.


Het beroep moet derhalve ongegrond verklaard worden.


De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2006.



(get.) C.G. Kasdorp.



(get.) M.R.S. Bacon.



HD

23.08