Centrale Raad van Beroep, 12-09-2006 / 05-3323 WWB


ECLI:NL:CRVB:2006:AY8249

Inhoudsindicatie
Afwijzing bijzondere bijstand voor woonkosten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-09-12
Publicatiedatum
2006-09-15
Zaaknummer
05-3323 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2006, 310
Uitspraak

05/3323 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 mei 2005, 04/1450 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Brunssum (hierna: College)








Datum uitspraak: 12 september 2006.

I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld, vragen van de Raad beantwoord en nadere stukken ingezonden.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2006. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door W.M.J. Michiels, werkzaam bij de gemeente Brunssum.



II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


Bij besluit op bezwaar van 25 maart 2004 heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: Minister van VROM) de afwijzing van appellantes verzoeken om huursubsidie voor de subsidiejaren 2002-2003 en 2003-2004 gehandhaafd. Vervolgens heeft appellante bij het College, met gebruikmaking van een “inlichtingenformulier bijzondere bijstand”, bijzondere bijstand voor woonkosten aangevraagd. Appellante heeft op 28 juni 2004 bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag. Het College heeft op 7 juli 2004 een door appellante op

6 juli 2004 getekend “aanvraagformulier bijzondere bijstand” ontvangen, waarin zij verzoekt om haar met ingang van 1 juli 2003 bijzondere bijstand voor woonkosten te verlenen. Bij besluit van 28 juli 2004 heeft het College deze aanvraag afgewezen.


Bij besluit van 21 september 2004 heeft het College zowel het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op aanvraag als het bezwaar tegen het besluit van

28 juli 2004 ongegrond verklaard.


De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 september 2004 vernietigd voor zover daarbij het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op aanvraag ontvankelijk is verklaard (lees: geacht), en dit bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het beroep voor het overige, dat wil zeggen: voor zover het was gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 28 juli 2004, ongegrond verklaard.


Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard.


Appellante heeft de Raad nadien medegedeeld dat de Minister van VROM haar bij besluit van 30 november 2005 alsnog huursubsidie heeft toegekend met ingang van 1 juli 2003. Appellante wenst in rechte vastgesteld te zien dat bij het besluit van 21 september 2004 aan haar ten onrechte bijzondere bijstand over de maanden mei en juni 2003 is onthouden.


De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Vaststaat dat appellante op het op 7 juli 2004 bij het College ingekomen aanvraagformulier heeft aangegeven dat zij in aanmerking wenst te komen voor een woonkostentoeslag met ingang van 1 juli 2003 en dat het College in zijn besluitvorming ook is uitgegaan van 1 juli 2003 als beoogde ingangsdatum, zij het dat het College zich daarbij op het standpunt heeft gesteld dat op 1 juli 2003 geen recht op bijstand bestond. Hoewel appellante in bezwaar en beroep heeft aangegeven dat zij woonkostentoeslag heeft aangevraagd met ingang van de datum waarop zij de woning is gaan huren, dat wil zeggen: per 1 maart 2003, blijkt dit niet uit de aanvraag en evenmin uit de overige gedingstukken. De Raad is van oordeel dat het College gezien het voorgaande op goede gronden is uitgegaan van 1 juli 2003 als datum met ingang waarvan bijstand is aangevraagd. Dit betekent dat het besluit van 21 september 2004, evenals het besluit van 28 juli 2004, terecht niet mede betrekking heeft op de maanden mei en juni 2003.


Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.


De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en R.H.M. Roelofs en

J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 september 2006.


(get.) T.G.M. Simons.


(get.) R.C. Visser.

TG06092006