Centrale Raad van Beroep, 03-10-2006 / 05-6406 WWB


ECLI:NL:CRVB:2006:AY9603

Inhoudsindicatie
Niet aan inlichtingenverplichting voldaan ten aanzien van het opgegeven woonadres. Het (summiere) verslag van het huisbezoek aan het gestelde woonadres wettigt op zichzelf niet de conclusie dat betrokkene daar niet haar woonadres had.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-10-03
Publicatiedatum
2006-10-06
Zaaknummer
05-6406 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

05/6406 WWB







Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K





op het hoger beroep van:


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 22 september 2005, 05/1021 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


[betrokkene], thans wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)










Datum uitspraak: 3 oktober 2006



I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Namens betrokkene heeft mr. J. van de Wiel, advocaat te Eindhoven, een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B.L. Krahmer, werkzaam bij de gemeente Helmond, en betrokkene is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Van de Wiel.



II. OVERWEGINGEN


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.


Betrokkene heeft op 11 februari 2004 een aanvraag om uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij besluit van 16 april 2004 (besluit 1) heeft appellant deze aanvraag afgewezen op de grond dat onvoldoende duidelijk is of betrokkene op het door haar opgegeven woonadres ([adres] 66) verblijft.


Op 21 april 2004 heeft betrokkene een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Daarop is bij besluit van 19 mei 2004 (besluit 2) wederom afwijzend beslist. Daaraan is ten grondslag gelegd dat niet duidelijk is of betrokkene op het nader door haar opgegeven adres ([adres] 57) verblijf houdt.


Bij besluit van 29 oktober 2004 heeft appellant de tegen de besluiten 1 en 2 gemaakte bezwaren, met wijziging van de grondslag, ongegrond verklaard. Daarbij heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand van betrokkene als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting - als bedoeld in achtereenvolgens artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (tot en met 25 maart 2004) en artikel 17, eerste lid, van de WWB (met ingang van 26 maart 2004) - niet kan worden vastgesteld.


Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - gegrond verklaard, het besluit van 29 oktober 2004 vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de lezing van betrokkene niet op voorhand ongeloofwaardig is, dat appellant zich onvoldoende van zijn onderzoeksplicht heeft gekweten en het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd.


Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.


Zoals de Raad al vaker heeft uitgesproken vormt schending van de inlichtingenverplichting een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, betrokkene recht op bijstand heeft.


De Raad is anders dan de rechtbank van oordeel dat betrokkene ten aanzien van het door haar opgegeven woonadres [adres] 66 niet aan haar inlichtingenverplichting heeft voldaan. De Raad wijst er in dit verband op dat betrokkene op het CWI-inlichtingenformulier - in strijd met de waarheid - heeft meegedeeld de naam van de verhuurder niet te kennen, dat zij geen huurcontract of betalingsbewijzen heeft overgelegd, dat zij bij een (voorgenomen) huisbezoek op 7 april 2004 niet is aangetroffen en dat zij eerst bij een tweede poging tot een huisbezoek op 15 april 2004 heeft gemeld sedert 14 april 2004 niet meer op voornoemd adres te wonen. Appellant heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting ter zake van het door haar opgegeven woonadres [adres] 66 niet kan worden vastgesteld of betrokkene ten tijde in geding in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. De enkele stelling van betrokkene ter zitting dat zij reeds in het najaar van 2003, komende vanuit [de woonplaats] in verband met echtscheidingsperikelen, haar intrek op dit adres heeft genomen kan hier niet aan afdoen, teminder nu ook deze stelling op geen enkele wijze met bewijsstukken is onderbouwd. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt.


Ten aanzien van het gestelde woonadres aan de [adres] 57 onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. De Raad voegt daaraan toe dat het - summiere - verslag van het huisbezoek op 11 mei 2004 op zichzelf niet de conclusie wettigt dat betrokkene ten tijde in geding daar niet haar woonadres had. Nu bij dat huisbezoek kennelijk wel enige persoonlijke bezittingen van betrokkene zijn aangetroffen en van enige andere zaken (waaronder kledingstukken) onbesproken blijft waarom die niet van betrokkene zouden kunnen zijn, had appellant niet zonder nader onderzoek kunnen concluderen dat betrokkene niettemin niet op het adres [adres] 57 woonde.



Slotoverwegingen


Gelet op het voorgaande zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep gegrond verklaren, het besluit van 29 oktober 2004 vernietigen voor zover daarbij de bezwaren tegen het besluit van 19 mei 2004 ongegrond zijn verklaard en bepalen dat appellant in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt. Appellant zal in dat verband tevens dienen te beslissen op de verzoeken van betrokkene om vergoeding van de kosten van behandeling van het bezwaar en de wettelijke rente.


De Raad ziet, ten slotte, aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 29 oktober 2004 voor zover daarbij de bezwaren tegen het besluit van 19 mei 2004 ongegrond zijn verklaard;

Bepaalt dat appellant in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Helmond.



Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L.M. Reijnierse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2006.




(get.) G.A.J. van den Hurk.




(get.) L.M. Reijnierse.


RB1909