Centrale Raad van Beroep, 20-10-2006 / 04/3617 WAO + 04/3618 WAO


ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1120

Inhoudsindicatie
WAO-schatting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-10-20
Publicatiedatum
2006-10-31
Zaaknummer
04/3617 WAO + 04/3618 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

04/3617 WAO + 04/3618 WAO








Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K









op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 juni 2004, 02/4702 + 03/50 (hierna: aangevallen uitspraak),


in de gedingen tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).





Datum uitspraak: 20 oktober 2006



I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M.H. Samama, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2006. Namens appellant is verschenen mr. Samama; het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Graaf.



II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.


Appellant, die laatstelijk in de tuinbouw werkzaam is geweest, heeft sedert 1 oktober 1998 een uitkering krachtens de Werkloosheidswet ontvangen. Met ingang van 1 mei 2000 heeft hij zich ziek gemeld met nekklachten, chronische hoofdpijn en pijn in de ribben. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 7 mei 2001 aan appellant medegedeeld dat hij per 29 april 2001 in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO), berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45. Bij besluit van 27 november 2002 (hierna: het bestreden besluit I) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.


In het kader van een zogeheten eerstejaarsherbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 23 april 2002 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd vastgesteld op 35 tot 45%. Appellants bezwaar tegen laatstgenoemde besluit heeft het Uwv bij besluit van 20 december 2002 (hierna: het bestreden besluit II) ongegrond verklaard.


De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard, waarbij gelet op de inhoud van de uitspraak kennelijk beoogd is zowel het beroep tegen besluit I als het beroep tegen besluit II ongegrond te verklaren. Daartoe is in die uitspraak, waarin appellant als eiser en het Uwv als verweerder zijn aangegeven, onder meer het volgende overwogen:

“Gezien het geschil tussen partijen over de belastbaarheid van eiser op de data in geding, heeft de rechtbank aanleiding gezien om de heer Van Ittersum, pyschiater, als deskundige te benoemen ten einde eiser te onderzoeken en de rechtbank van advies te dienen.


In zijn rapport van 15 januari 2004 is de deskundige Van Ittersum tot de conclusie gekomen dat bij eiser op de data in geding geen aanwijzingen waren voor ziekte in psychiatrische zin, noch aanwijzingen voor een persoonlijkheidsstoornis.

Van Ittersum kan zich verenigen met het door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon. Op de data in geding was eiser volgens de deskundige in staat om de geduide functies te verrichten


De rechtbank ziet geen aanleiding de conclusie van de door haar geraadpleegde deskundige niet te volgen. Uit de brief van eiser van 19 februari 2004 begrijpt de rechtbank dat hij het niet eens is met de conclusies van Van Ittersum, maar de rechtbank heeft geen aanleiding gezien om diens onderzoek als onzorgvuldig aan te merken of diens conclusies voor onjuist ten houden. Verweerder heeft de geselecteerde functies derhalve op goede gronden gebruikt voor de schatting.”


In het aanvullend hoger beroepschrift, dat blijkens de verklaring van de gemachtigde van appellant ter zitting uitsluitend gericht is tegen de medische kant van de onderhavige schattingen van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant, is het volgende aangevoerd:


“De rechtbank heeft in deze zaak aanleiding gezien een deskundige te benoemen,

dr van Ittersum. Dr Van Ittersum stelt informatie te hebben opgevraagd bij de huisarts doch deze niet ontvangen te hebben. Uit de bijlagen bij de psychiatrische rapportage blijkt het hier om een rommelig vodje te gaan waarop de huisarts dus helaas niet heeft gereageerd. Voorts heeft de deskundige niet de moeite genomen om nog even te bellen met de huisarts. Het rapport is tenslotte twee en een halve maand later gemaakt dus er was op zich wel tijd om nog even te bellen.


Appellant is van mening dat de rechtbank niet voorbij had mogen gaan aan de brief die appellants gemachtigde op 19 februari 2004 nog heeft gezonden aan de rechtbank en dat dr van Ittersum toch nog gedwongen had moeten worden om contact op te nemen met de huisarts of de behandelend psychiater. Het onderzoek dat dan ook ten grondslag heeft gelegen aan de beslissing van de rechtbank d.d. 29 juni 2004 is niet zorgvuldig geweest waardoor de beslissing van de rechtbank ook niet in stand kan blijven.”


De Raad overweegt het volgende.


Ook de Raad ziet geen reden de voor appellant vastgestelde medische beperkingen voor het verrichten van arbeid voor onjuist te houden. De Raad onderschrijft daartoe hetgeen door de rechtbank terzake is overwogen.


Naar aanleiding van de in hoger beroep naar voren gebrachte grief dat de door de rechtbank geraadpleegde deskundige niet beschikte over gegevens van de huisarts of behandelend psychiater, merkt de Raad het volgende op.


Genoemde deskundige, psychiater E.F. van Ittersum, heeft op zijn schriftelijk verzoek om inlichtingen, dat naar de opvatting van de Raad niets aan duidelijkheid te wensen overlaat en dat door appellant zelf aan zijn huisarts zou worden overhandigd, geen reactie ontvangen van die huisarts. Die deskundige heeft zich daarmee in voldoende mate gekweten van zijn taak nadere informatie in te winnen, zodat niet gezegd kan worden dat de rechtbank vanuit een oogpunt van zorgvuldigheid zijn oordeel niet op het rapport van die deskundige had mogen baseren.


In haar brief van 19 februari 2004 en ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant gesteld dat door het ontbreken van bedoelde inlichtingen de deskundige geen kennis heeft kunnen nemen van de opvatting van de huisarts dat appellant zijn klachten “somatiseert”. Hoewel het gemis aan deze inlichtingen uiteraard te betreuren valt, heeft de Raad niet de overtuiging dat de psychiatrisch deskundige dit verschijnsel, zo aan de orde in het geval van appellant, niet vanuit zijn bijzondere deskundigheid zou hebben onderkend en daaraan zo nodig consequenties voor zijn conclusies verbonden zou hebben.


Gelet op het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.


De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.





Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2006.



(get.) H. van Leeuwen.




(get.) P.H. Broier.



CVG