Centrale Raad van Beroep, 07-11-2006 / 05/5603 WWB


ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1813

Inhoudsindicatie
Bezwaar tegen de opschorting van het recht op bijstand wordt alsnog niet-ontvankelijk verklaard.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-11-07
Publicatiedatum
2006-11-08
Zaaknummer
05/5603 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2007, 19
Uitspraak

05/5603 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellante] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 augustus 2005, 05/648

(hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen

(hierna: College)


Datum uitspraak: 7 november 2006


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. N.M.J. van der Maas, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg. nr. 06/2155 WWB, plaatsgevonden op 26 september 2006, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.M. Spooren, kantoorgenoot van mr. Van der Maas, en waar het College zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Haagmans. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.



II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


Appellante ontving met ingang van 29 april 2003 van het College een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).


Bij besluit van 9 augustus 2004 heeft het College met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2004 opgeschort.


Tegen het besluit van 9 augustus 2004 heeft appellante bij brief van 6 september 2004 bezwaar gemaakt.


Bij besluit van 14 september 2004 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2004 ingetrokken op de grond dat de bij besluit van 9 augustus 2004 gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn zijn verstrekt.


Bij besluit van 14 februari 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

9 augustus 2004 ongegrond verklaard.


In beroep heeft appellante gesteld dat het bezwaar tegen het besluit van 9 augustus 2004 tot opschorting van het recht op bijstand mede was gericht tegen het besluit van

14 september 2004 tot intrekking van de bijstand.


Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 14 februari 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het bezwaar tegen het besluit van 9 augustus 2004 niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij is overwogen dat nu bij besluit van 14 september 2004 het recht op bijstand met ingang van 1 juli 2004 is ingetrokken, appellante geen belang meer heeft bij een beslissing op haar bezwaarschrift van 6 september 2004.


Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Daarbij is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beoordeeld haar beroepsgrond dat het bezwaarschrift van 6 september 2004 mede was gericht tegen het besluit van 14 september 2004 tot intrekking van de bijstand.


De Raad komt tot een volgende beoordeling.


Gelet op de beroepsgronden van appellante stelt de Raad voorop dat daarmee zowel wordt opgekomen tegen het na bezwaar gehandhaafde besluit tot opschorting als tegen het niet beslissen door het College op het bezwaar dat, aldus appellante gericht was tegen het besluit tot intrekking. De rechtbank heeft - in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - uitsluitend uitspraak gedaan op hetgeen appellante heeft aangevoerd met betrekking tot het besluit tot opschorting. De grief dat de rechtbank hiermee niet had mogen volstaan is dan ook terecht aangevoerd.


De zaak behoeft geen nadere behandeling door de rechtbank. Partijen hebben ook niet om terugwijzing gevraagd. De Raad zal de zaak daarom zelf afdoen. Hij overweegt daartoe het volgende.


De Raad is van oordeel dat de duidelijke tekst van het bezwaarschrift van

6 september 2004 geen andere conclusie toelaat dan dat het uitsluitend is gericht tegen

het besluit van 9 augustus 2004 tot opschorting, en dus niet kan worden aangemerkt als een prematuur bezwaarschrift waarvan gelet op artikel 6:10, eerste lid, van de Awb de niet-ontvankelijk verklaring achterwege kan blijven.


Nu tegen het besluit van 14 september 2004 tot intrekking van het recht op bijstand met ingang van 1 juli 2004 nadien niet alsnog bezwaar is gemaakt, is het in rechte onaantastbaar geworden. Voorts stelt de Raad vast dat niet is gebleken dat appellante ten tijde van het nemen van het besluit van 14 februari 2005 nog enig (financieel) belang had bij een inhoudelijke behandeling van haar bezwaar tegen de opschorting van het recht op bijstand met ingang van 1 juli 2004. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat dit bezwaar wegens het ontbreken van een processueel belang terecht door de rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard.


Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd behoudens voor zover daarin omtrent de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten in eerste aanleg is beslist. De Raad zal het beroep gegrond verklaren, het besluit van 14 februari 2005 vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het bezwaar tegen het besluit van 9 augustus 2004 alsnog niet-ontvankelijk verklaren.


De Raad ziet voorts aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is beslist omtrent griffierecht en proceskosten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 14 februari 2005;

Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 9 augustus 2004 niet-ontvankelijk;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Sittard-Geleen;

Bepaalt dat de gemeente Sittard-Geleen aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,-- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en H.J. de Mooij en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 november 2006.


(get.) A.B.J. van der Ham.


(get.) P.C. de Wit.




PR/241006