Centrale Raad van Beroep, 02-11-2006 / 06-253 WW


ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1929

Inhoudsindicatie
Weigering WW-uitkering aan directeur van besloten vennootschap: geen dienstbetrekking.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-11-02
Publicatiedatum
2006-11-10
Zaaknummer
06-253 WW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

06/253 WW







Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K





op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 december 2005, 05/2599 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).









Datum uitspraak: 2 november 2006.



I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 31 augustus 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J. Lemckert. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door R.A. Kneefel, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.



II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in geding zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de op deze wet rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde in geding.


Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Rotterdam is op 7 maart 1995 [de besloten vennootschap], gevestigd te Vlaardingen, (hierna: [de B.V.]) opgericht. Uit voornoemd uittreksel blijkt tevens dat appellant als bestuurder van [de B.V.] is ingeschreven. Vanaf 1 december 1998 tot 24 november 2004 is appellant werkzaam geweest als directeur van [de B.V.]. Op 31 januari 2005 heeft appellant bij het Uwv een aanvraag tot overneming van de betalingsverplichtingen ingediend in verband met het faillissement van [de B.V.].


Bij besluit van 2 maart 2005 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij geen recht heeft op een uitkering ingevolge (hoofdstuk IV) van de WW, omdat hij niet verzekerd is voor de WW. Bij besluit op bezwaar van 7 juni 2005 heeft het Uwv dat standpunt gehandhaafd, welk standpunt door de rechtbank is onderschreven.


De Raad overweegt als volgt.


Het standpunt van gedaagde komt er op neer dat de voor het aannemen van een dienstbetrekking vereiste gezagsverhouding tussen appellant en [de B.V.] ontbreekt. Appellant heeft dit standpunt in hoger beroep gemotiveerd bestreden.


De Raad heeft vaker tot uitdrukking gebracht dat bij de beoordeling of sprake is van een dienstbetrekking de feitelijke situatie van doorslaggevend belang is, ongeacht de kwalificatie die partijen zelf aan de arbeidsverhouding hebben gegeven. De Raad is van oordeel dat uit geen enkel feit blijkt dat door [de B.V.] werkgeversgezag is uitgeoefend ten opzichte van appellant. Nu appellant een aanvraag heeft ingediend om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de WW ligt het op zijn weg om aannemelijk te maken dat hij onder gezag van [de B.V.] werkzaam is geweest. Daarin is appellant naar het oordeel van de Raad niet geslaagd. In het bijzonder heeft appellant niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat hij verantwoording diende af te leggen aan de buitenlandse holding van de aandelen van [de B.V.], van welke holding hij ook bestuurder was.


Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 november 2006.



(get.) R.C. Schoemaker.



(get.) R.E. Lysen.



RB2010