Centrale Raad van Beroep, 22-11-2006 / 05-1806 WAO


ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2897

Inhoudsindicatie
Intrekking WAO-uitkering.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-11-22
Publicatiedatum
2006-11-23
Zaaknummer
05-1806 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

05/1806 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellante] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 maart 2005, 02/2783 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 22 november 2006

I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M.C. Frissart-Kallenbach, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2006. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. van de Berkt.


II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.


Appellante was laatstelijk werkzaam als schoenenverkoopster voor 21 uur per week. Zij ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toen zij zich op 25 augustus 1997 met psychische klachten ziek meldde. Het Uwv kende haar met ingang van 24 augustus 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsver-zekering (WAO) toe, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


In het kader van een eerstejaarsherbeoordeling vond medisch en arbeidskundig onderzoek plaats. Bij besluit van 2 januari 2002 besliste het Uwv dat appellante met ingang van 20 februari 2002 geen recht meer had op een WAO-uitkering. Het Uwv verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond bij besluit van 4 november 2002 (bestreden besluit). De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.


Appellante heeft in hoger beroep onder verwijzing naar hetgeen zij in de bezwaar- en beroepsprocedure naar voren heeft gebracht haar standpunt herhaald dat zij meer beperkt is dan het Uwv heeft vastgesteld en dat de geduide functies niet passend zijn.


De Raad overweegt als volgt.


Aan het bestreden besluit ligt de motivering ten grondslag dat appellante op 20 februari 2002, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen, te weten € 10,07, met het voor appellante geldende maatmaninkomen van € 7,73 laat een verlies aan verdiencapaciteit zien van 0%.


De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden voor twijfel aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante per 20 februari 2002. De Raad kan zich volledig vinden in de overwegingen die de rechtbank tot deze conclusie hebben gebracht en maakt die overwegingen tot de zijne. De Raad merkt voorts op dat appellante ondanks haar aankondiging in het aanvullend beroepschrift van 29 april 2005 geen nadere medische informatie in geding heeft gebracht.


Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank overgewogen dat de belasting in de geselecteerde functies in overeenstemming is met de vastgestelde beperkingen en dat de functies ook overigens zijn te beschouwen als algemeen geaccepteerde arbeid waartoe appellante met haar krachten en bekwaamheden in staat is. De Raad kan zich volledig vinden in deze conclusie en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen, die de Raad ook tot de zijne maakt.


Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.


De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 november 2006.


(get.) Ch. van Voorst.


(get.) P. van der Wal.