Centrale Raad van Beroep, 24-11-2006 / 04-3411 WAO


ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3352

Inhoudsindicatie
WAO-schatting. Medische urenbeperking?
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-11-24
Publicatiedatum
2006-11-30
Zaaknummer
04-3411 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

04/3411 WAO


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellante] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 mei 2004, 03/4925 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)


Datum uitspraak: 24 november 2006

I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Klinkert. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. C. Vork.


II. OVERWEGINGEN


Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 9 oktober 2003, waarbij het Uwv – beslissend op bezwaar – de WAO-uitkering van appellante per 6 februari 2003 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.


De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.


In hoger beroep heeft appellante zich evenals in beroep op het standpunt gesteld dat zij zodanige psychische klachten heeft dat zij niet in staat is gedurende 38 uur per week arbeid te verrichten. Zij acht een medische urenbeperking aangewezen.

Ter staving van haar standpunt heeft appellante – evenals in beroep – gewezen op de verklaring van M. Ernst, gzpsycholoog, eerstelijnspsycholoog i.o., gedateerd 8 januari 2004.


In hetgeen appellante naar voren heeft gebracht heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een ander oordeel te komen dan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is neergelegd. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de in hoger beroep herhaalde en niet nader onderbouwde grieven afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grieven niet kunnen slagen. Ook de Raad is van oordeel dat uit het rapport van Ernst niet blijkt dat appellante meer of anderszins is beperkt tot het verrichten van arbeid dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is aangenomen. Niet uit het oog kan worden verloren dat appellante op de datum in geding niet bij Ernst onder behandeling was en dat de opvatting van Ernst dat een 20-urige werkweek het maximaal haalbare is ziet op het moment van het opstellen van haar brief van

8 januari 2004. Daarbij komt dat Ernst mede tot haar opvatting is gekomen op basis van een aantal problemen en beperkingen in de persoonlijke levenssfeer van appellante; of beperkingen aanwezig zijn waarop het arbeidsongeschiktheidsbegrip zoals opgenomen in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ziet is – overigens geenszins onbegrijpelijk - buiten beschouwing gebleven.


Het door appellante in hoger beroep ingenomen standpunt dat de verzekeringsarts ten onrechte heeft aangenomen dat haar arbeidsongeschiktheid een gevolg is van de extra zware zorgtaak die zij heeft voor haar gehandicapte dochter kan de Raad niet volgen. In de rapportages van de verzekeringsarts wordt vermeld dat appellante zelf heeft aangegeven dat zij gestrest raakt door de problemen met haar kind en dat mede hierdoor haar klachten ontstaan en blijven bestaan. Uit de rapportages van deze verzekeringsarts blijkt echter geenszins dat zij de klachten van appellante zonder meer heeft teruggevoerd op de door appellante geschetste problemen. Uit de rapportage blijkt dat de verzekeringsarts tot een oordeel omtrent de gezondheidssituatie van appellante is gekomen op basis van door haar verricht medisch onderzoek en verkregen medische informatie. Hierop heeft zij haar oordeel over de belastbaarheid van appellante gebaseerd.


Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 november 2006.


(get.) J. Brand.


(get.) M.H.A. Uri.