Centrale Raad van Beroep, 23-11-2006 / 05-1395 AW


ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3581

Inhoudsindicatie
Bevoegdheid. Verzoek om uitkering op grond van behoudmaatregel geweigerd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-11-23
Publicatiedatum
2006-12-04
Zaaknummer
05-1395 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

05/1395 AW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 januari 2005, 03/6036 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Korpsbeheerder van de politieregio [regio] (hierna: korpsbeheerder)


Datum uitspraak: 23 november 2006


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Klein, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Th. Tanja en mr. L.R. Bosch van Drakestein, beiden werkzaam bij de politieregio [regio].



II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. In 1999 heeft de korpsbeheerder maatregelen getroffen, onder meer gericht op het tegengaan van de uitstroom van generalisten (salarisschaal 7) verbonden aan wijkteams. Behoudens andere voorwaarden is de kern daarvan dat per 1 augustus 2002 een uitkering tot behoud, als bedoeld in artikel 26 van het Besluit bezoldiging politie, ten bedrage van f 12.000,- in het vooruitzicht wordt gesteld aan politieambtenaren die gedurende één jaar of langer werkzaam waren als generalist bij een wijkteam (hierna: behoudmaatregel).


1.2. Appellant is vanaf 1995 werkzaam geweest als hoofdagent/generalist in een of meer wijkteams. Met ingang van 19 november 2001 is hij aangesteld als generalist-honden-geleider bij de dienst Executieve Ondersteuning. Toen hij na 1 augustus 2002 geen uitkering op grond van de behoudmaatregel ontving, heeft hij daar schriftelijk om verzocht. Dit verzoek is afgewezen bij besluit van 6 december 2002, en na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 5 november 2003.


1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2. De bevoegdheid.


2.1. Het primaire besluit van 6 december 2002 is (in mandaat) genomen door de chef van het Bureau Arbeidsvoorwaarden en Zorg. Het bestreden besluit is namens de korpschef genomen door een Commissaris van politie. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie CRvB 14 april 2005, 03/5510, LJN AT4871), verdraagt dit laatste zich niet met artikel 18, eerste en tweede lid, van de Regeling behandeling bezwaarschriften politie, op grond waarvan het bestreden besluit had moeten worden genomen door de korpsbeheerder zelf of, namens deze, door de korpschef.


2.2. Reeds hierom komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten. Nu de korpsbeheerder op 26 mei 2006 schriftelijk heeft verklaard het bestreden besluit te bekrachtigen, in de zin dat het geacht moet worden door de korpsbeheerder zelf te zijn genomen, zal de Raad bezien of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat de rechtsgevolgen van dit besluit geheel of gedeeltelijk in stand blijven.


3. De weigering van een uitkering tot behoud.


3.1. De uitkering tot behoud per 1 augustus 2002 is appellant geweigerd op de grond dat hij, na sollicitatie, met ingang van 19 november 2001 is aangesteld als hondengeleider en hij dus niet gedurende de volle referteperiode van 1 augustus 1999 tot 1 augustus 2002 werkzaam is geweest in een wijkteam.


3.2. Naar het oordeel van de Raad kan - op zichzelf beschouwd - deze grond de in geding zijnde weigering dragen. Kern van de getroffen behoudmaatregel is immers dat ervaren generalisten gedurende de volle referteperiode van drie jaar (niet één jaar, zoals de rechtbank kennelijk per abuis heeft overwogen) voor de dienst in een wijkteam worden behouden. Appellant is wel een ervaren generalist, maar door per 19 november 2001 op eigen verzoek over te stappen naar de dienst Executieve Ondersteuning heeft hij de vereiste drie jaren bij een wijkteam niet vol gemaakt.


3.3. Dat de behoudmaatregel pas in de loop van 2002 in de vorm van een beleidsregeling op intranet is bekend gemaakt en vóór die tijd over een reeks van documenten

- correspondentie met de ondernemingsraad, korpsberichten en (nieuws)brieven - was verspreid, doet aan het vorenstaande niet af. Aan appellant kan worden toegegeven dat de wijze waarop vóór 2002 aan de behoudmaatregel bekendheid is gegeven uit een oogpunt van volledigheid en overzichtelijkheid niet optimaal is geweest. De onder 3.2. omschreven kern van de maatregel kan appellant echter redelijkerwijs niet zijn ontgaan, nu deze uit alle bedoelde publicaties - welke reeds dateren uit 1999 en 2000 - op onmiskenbare wijze naar voren komt.


3.4. Evenmin kan appellant zich met succes beroepen op het feit dat in de behoud-maatregel een uitzondering is opgenomen voor degenen die in de loop van de referteperiode naar een andere functie zijn bevorderd. Aan hen kent de korpsbeheerder een uitkering naar rato van de wel binnen een wijkteam doorgebrachte tijd toe, teneinde niet aan de uitoefening van het zwaarwegende recht op bevordering in de weg te staan. In het geval van appellant is echter geen sprake geweest van een bevordering, maar van een horizontale overstap. Hij was bij het wijkteam ingedeeld in schaal 7 en heeft als hondengeleider deze schaal behouden. Appellant kan de korpsbeheerder ook niet verwijten dat deze hem niet uitdrukkelijk heeft gewaarschuwd dat een horizontale overstap zou leiden tot algeheel verlies van de aanspraak op een uitkering. Die consequentie volgt immers zonder meer uit de hierboven bedoelde kern van de behoudmaatregel - drie jaar dienst als generalist in een wijkteam - en was als zodanig voldoende kenbaar. Niet ten onrechte heeft de korpsbeheerder zich op het standpunt gesteld dat hij mocht volstaan met het formuleren van de voorwaarden voor toekenning van de uitkering en niet expliciet de gevallen behoefde op te sommen waarin geen aanspraak bestaat op de behouduitkering.


3.5. De Raad heeft echter om andere redenen bedenkingen tegen het bestreden besluit. Appellant heeft aangevoerd en aangetoond dat de korpsbeheerder bij beslissingen op bezwaar van 16 juni 2003 alsnog een (pro rata) uitkering heeft toegezegd aan 20 collega's die gedurende de referteperiode horizontaal zijn overgestapt naar een functie als specialist en die dus evenmin aan de voorwaarden van de behoudmaatregel voldeden. Deze beslis-singen waren gebaseerd op een advies van de hoor- en adviescommissie van 23 mei 2003, waarin doorslaggevende betekenis is toegekend aan de omstandigheid dat deze groep van 20 niet uitdrukkelijk voor de gevolgen van een horizontale overstap is gewaarschuwd. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, speelde daarbij geen rol dat bij de betrokkenen actief verwachtingen zijn gewekt dat de aanspraken op grond van de behoudmaatregel in stand zouden blijven. De commissie heeft juist aangegeven dat zij van daartoe strekkende toezeggingen geen bevestiging heeft kunnen vinden. Dat de commissie een uitdrukkelijke waarschuwing noodzakelijk achtte, vloeide voort uit het haars inziens logische karakter van de carrièrestap - hoezeer ook horizontaal - van generalist naar specialist. In tegenstelling tot de rechtbank, kan de Raad in die (enkele) omstandigheid geen rechtens relevant verschil met het geval van appellant ontwaren. Evenzeer als appellant, moet het de collega's van de groep van 20 redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat zij niet aan de kern van de behoudmaatregel voldeden. Zij zijn immers niet gedurende de volle referteperiode als generalist werkzaam gebleven. De Raad ziet vooralsnog niet in dat de groep van 20 de horizontale overstap naar specialist anders dan appellant wel mocht opvatten als een bevordering in de zin van de behoudmaatregel.


3.6. De Raad is derhalve van oordeel dat de korpsbeheerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het gelijkheidsbeginsel in het geval van appellant niet evenzeer met zich brengt dat alsnog een (gedeeltelijke) uitkering moet worden toegekend. Daarbij is nog van belang dat de beslissing op bezwaar inzake de groep van 20 kennelijk tot stand is gekomen na rijp beraad en in het volle bewustzijn van de relevante factoren, zodat die beslissing niet kan worden beschouwd als een incidentele fout die niet behoeft te worden herhaald.


3.7. Voor het geheel of gedeeltelijk in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit bestaat dus geen aanleiding.


4. De Raad acht termen aanwezig om de korpsbeheerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 644,- voor kosten wegens aan appellant in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en van een bedrag groot

€ 644,- voor kosten wegens aan appellant in hoger beroep verleende rechtsbijstand, alsmede tot een bedrag groot € 2,64 voor reiskosten in eerste aanleg, in totaal derhalve

€ 1.290,64.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit van 5 november 2003;

Bepaalt dat de korpsbeheerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€1.290,64, te betalen door de politieregio [regio];

Bepaalt dat de politieregio [regio] aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 321,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 november 2006.


(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.


(get.) P.W.J. Hospel.