Centrale Raad van Beroep, 22-11-2006 / 05-6689 WW


ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3619

Inhoudsindicatie
Bezwaarschrift ingediend na geldende termijn. Kennelijk niet-ontvankelijk? Niet-horen?
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-11-22
Publicatiedatum
2006-12-07
Zaaknummer
05-6689 WW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

05/6689 WW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant], (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 20 oktober 2005, 05/374 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: Minister).


Datum uitspraak: 22 november 2006.


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.


De Minister heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2006. Appellant is niet verschenen. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Hendriks, werkzaam bij KPMG Management Services te Emmen.


II. OVERWEGINGEN


1. Bij besluit van 29 oktober 2004 heeft de Minister het verzoek van appellant om kwijtschelding van een schuld ter zake van teveel betaalde uitkering afgewezen. Bij brief van 9 maart 2005 heeft appellant hiertegen een bezwaarschrift ingediend, waarop hij heeft aangegeven dat dit een bezwaarschrift is ter bevestiging van op 23 november 2004 mondeling aangetekend bezwaar. Bij besluit van 16 maart 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft de Minister het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard omdat dit na afloop van de daarvoor geldende termijn is ingediend. Omdat naar de mening van de Minister sprake was van kennelijke niet-ontvankelijkheid heeft hij met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht ervan afgezien appellant te horen.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog daartoe dat van het gesprek dat op 23 november 2004 heeft plaatsgevonden tussen appellant en een ambtenaar van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) geen schriftelijke vastlegging heeft plaatsgevonden en dat niet is gebleken dat appellant binnen de wettelijke termijn van 6 weken na verzending van het besluit van 29 oktober 2004 daartegen bezwaar heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank ging de door appellant getrokken vergelijking met de door hem genoemde zaak niet op en kon de hoorzitting achterwege worden gelaten omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk was.


3. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daartoe heeft hij zijn standpunt herhaald dat hij op 23 november 2004, dus binnen de voorgeschreven termijn, zijn bezwaar tegen het besluit van 29 oktober 2004 mondeling kenbaar heeft gemaakt aan de heer [E.], werkzaam bij het Uwv, en dat deze ten onrechte heeft nagelaten hem, appellant, in de gelegenheid te stellen zijn bezwaar schriftelijk in te dienen. Appellant heeft wederom gewezen op de uitspraak van de Raad van 9 december 2003, LJN AO0729, JB 2004/64. Appellant heeft subsidiair aangevoerd, dat voornoemde heer [E.] tijdens het gesprek op 23 november 2004 aan hem had moeten vragen of hij bezwaar wilde maken tegen het besluit van 29 oktober 2004.


4.1. De Raad is van oordeel dat de rechtbank de door appellant aangevoerde argumenten terecht en op juiste gronden heeft verworpen. De Raad onderschrijft volledig hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Hij voegt hieraan nog toe, dat uit de verklaring van de heer [E.] over de inhoud van het gesprek van 23 november 2004 niet is gebleken dat dat gesprek plaatsvond naar aanleiding van het besluit van 29 oktober 2004. Blijkens die verklaring ging het appellant vooral om de omvang van de schuld, zoals die kort tevoren aan hem was medegedeeld en waarover hij had willen spreken met de collega die de desbetreffende brieven aan hem had ondertekend.


4.2. Daar, anders dan appellant heeft gesteld, niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest, heeft de Minister het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard.


4.3. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat in deze situatie geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 november 2006.


(get.) H. Bolt.


(get.) M.R.S. Bacon.