Centrale Raad van Beroep, 23-11-2006 / 05-5765 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3627

Inhoudsindicatie
Herhaald verzoek om WUBO-uitkering afgewezen. Terughoudende toetsing.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-11-23
Publicatiedatum
2006-12-07
Zaaknummer
05-5765 WUBO
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

05/5765 WUBO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[appellant] (hierna: appellant),

en


de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)


Datum uitspraak: 23 november 2006

I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft beroep ingesteld tegen het ten aanzien van hem door verweerster genomen besluit van 19 augustus 2005, kenmerk JZ/A60-/2005, ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2006. Aldaar is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door R. Lloyd, maatschappelijk werker en verbonden aan de Stichting Pelita. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.


II. OVERWEGINGEN


Appellant, geboren [in] 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in augustus 1996 een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering. Bij deze aanvraag heeft appellant naar voren gebracht dat hij tijdens de Japanse bezetting is gearresteerd door de Kempetai en vervolgens internering heeft ondergaan in kamp Gunung Halu en nadien gevangenschap in de Bantjeu gevangenis te Bandung.

Bij besluit van 24 september 1997 heeft verweerster geweigerd appellant te erkennen als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet, omdat er buiten de eigen verklaring van appellant geen bevestiging is verkregen van de door hem genoemde oorlogsgebeur-tenissen. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.


In augustus 2004 heeft appellant zich tot verweerster gewend met een verzoek om herziening van voornoemd besluit. Daarbij heeft hij aangegeven getuigen te hebben gevonden van zijn internering in Gunung Halu. Ten behoeve van dit verzoek van appellant heeft verweerster de getuigen benaderd en een verklaring ontvangen van John Schmidt Weymans en van de schoonzuster van appellant A. [S.]-[K.]. Met deze verklaringen acht verweerster het verblijf van appellant in Gunung Halu nog immer niet voldoende bevestigd en heeft bij besluit van 15 maart 2005 het verzoek om herziening van appellant afgewezen. In bezwaar tegen dit besluit heeft appellant gewezen op een brief uit 1982 van zijn overleden broer J.E. [S.], en voorts heeft hij nog als getuige genoemd E.M. [W.]. Verweerster heeft ook in bezwaar geen aanleiding gezien haar eerder ingenomen standpunt te wijzigen en bij het thans bestreden besluit het door appellant gemaakt bezwaar ongegrond verklaard.


De Raad overweegt als volgt.


Ingevolge artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, zodat de Raad de wijze waarop verweerster van deze bevoegdheid gebruik maakt met terughoudendheid dient te toetsen. Daarbij staat bij een verzoek om herziening als het onderhavige centraal of appellant bij zijn verzoek om herziening dan wel in bezwaar feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die aan verweerster ten tijde van haar besluit van 24 september 1997 niet bekend waren en dit besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden dat besluit te herzien.


Van dergelijke gegevens is de Raad niet gebleken. Ook naar het oordeel van de Raad blijft het verblijf van appellant in Gunung Halu als voorheen onvoldoende bevestigd. De Raad kent in dit verband beslissende betekenis toe aan de omstandigheid dat ten tijde van verweersters eerdere besluit van 24 september 1997 de gegevens van de inmiddels overleden broer van appellant J.E. [S.], die naar is komen vast te staan wel in Gunung Halu is geïnterneerd geweest, reeds bekend waren. Deze broer heeft nimmer gewag gemaakt van het feit dat zijn jongere broer (appellant) met hem is opgepakt zoals appellant stelt en eveneens verbleven heeft in Gunung Halu. Het door appellant in bezwaar genoemde schrijven uit 1982 van deze broer waarin verschillende personen worden opgesomd die met hem in Gunung Halu hebben gezeten, vermeldt niet de naam van appellant. De in de onderhavige procedure ter beschikking gekomen verklaringen acht de Raad niet voldoende overtuigend of door objectieve gegevens ondersteund om uitsluitend op basis hiervan verweerster gehouden te achten tot herziening van haar eerdere standpunt over te gaan. De Raad overweegt daarbij dat met betrekking tot de oorlogservaringen van de getuige Schmidt Weymans en een eventueel verblijf van hem in Gunung Halu niets bekend is en dat aan de door de schoonzuster van appellant afgelegde verklaringen geen gewicht kan worden toegekend, nu deze verklaringen niet berusten op eigen waarneming. Ook in de door verweerster geraadpleegde bij haar bekende gegevens van de door appellant genoemde E.M. [W.] komt de naam van appellant niet voor als lotgenoot te Gunung Halu en die van zijn broer juist wel.


In beroep zijn door appellant nog verklaringen van getuigen ingezonden. In het kader van een op een verzoek om herziening genomen besluit is deze inzending tardief. De Raad ziet evenwel aanleiding op te merken dat ook deze verklaringen bezien in samenhang met de overigens bekende gegevens naar zijn oordeel onvoldoende bevestiging opleveren van de door appellant gestelde internering in Gunung Halu.


De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 november 2006.


(get.) H.R. Geerling-Brouwer.


(get.) J.P. Schieveen.