Centrale Raad van Beroep, 30-11-2006 / 06-1740 WUV


ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3628

Inhoudsindicatie
Toekenning van voorziening voor extra vakantie mede voor meerderjarig kind van de vervolgde, omdat dit kind om medische redenen niet alleen thuis kan blijven. Bevoegdheid om aanvullend sociaal rapport te laten opmaken bij herhalingsaanvraag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-11-30
Publicatiedatum
2006-12-07
Zaaknummer
06-1740 WUV
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

06/1740 WUV


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[appellante] (hierna: appellante)


en


de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster).


Datum uitspraak: 30 november 2006


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante is beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 16 februari 2006, kenmerk JZ/M70/2006, door verweerster ten aanzien van appellante genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2006. Aldaar is appellante in persoon verschenen met bijstand van mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.


II. OVERWEGINGEN


Blijkens de gedingstukken is appellante, geboren in 1941, vervolgde en uitkerings-gerechtigde in de zin van de Wet. Voorts is haar, voorzover hier van belang, vanaf 1999 tot en met 2004 - telkens voor een aaneensluitende periode van 3 jaren - bij wijze van bijzondere voorziening een tegemoetkoming verleend voor het houden van extra vakantie samen met haar in 1973 geboren zoon [J.]; dit laatste op grond van het door verweerster gevoerde bijzondere beleid dat inhoudt dat kinderen boven de 16 jaar die op grond van lichamelijke of psychische aandoeningen niet alleen achter kunnen blijven in de toekenning van de voorziening voor extra vakantie aan de vervolgde kunnen worden begrepen.


In maart 2005 heeft appellante een herhalingsaanvraag ingediend om toekenning van een tegemoetkoming in de kosten van extra vakantie voor haarzelf en haar zoon [J.] voor de jaren 2005 tot en met 2007.


Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerster een aanvullend sociaal rapport laten opstellen. Aangezien naar het oordeel van verweerster uit het daartoe ingestelde onderzoek is gebleken dat de grondslag voor de toekenning van extra vakantie aan zoon [J.] was vervallen, nu van samenwoning en het niet alleen kunnen achterblijven van zoon [J.] niet meer is gebleken, heeft verweerster de aanvraag bij besluit van 19 juli 2005 afgewezen voorzover deze betrekking had op zoon [J.] voor de jaren 2006 en 2007.

Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is bij het nu bestreden besluit ongegrond verklaard.


In dit geding is aan de orde de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen daartegen door en namens appellante in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Die vraag beantwoordt de Raad op de navolgende gronden bevestigend.


De Raad stelt voorop dat verweerster - anders dan appellante heeft doen betogen - ten alle tijde bevoegd moet worden geacht om ook bij herhalingsaanvragen van voorzieningen een onderzoek als bedoeld in artikel 31 van de Wet te doen instellen naar de aan de aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden. Bij herhalingsaanvragen zal dit onderzoek zich toespitsen op de vraag of de aan de eerdere toekenning ten grondslag liggende feiten en omstandigheden zich nog steeds onveranderd voordoen. Een en ander vloeit voort uit verweersters taak als uitvoeringsorgaan van de Wet.

Uiteraard geldt ook hierbij dat verweerster niet naar willekeur of anderszins in strijd met algemene rechtsbeginselen mag handelen, maar daarvan is in dit geval niet gebleken.


Bij het naar aanleiding van de huidige aanvraag op 28 juni 2005 ingestelde onderzoek is, gezien het daarvan opgemaakte aanvullend sociaal rapport, onder meer gebleken dat appellante en haar toen daar wonende kinderen, waaronder haar zoon [J.], enige jaren geleden het woonwagenkamp te [plaatsnaam] hebben moeten verlaten en dat appellante en haar zoon [J.] niet (meer) samenwonen.

Verweerster heeft hieruit afgeleid dat zoon [J.] niet (meer) in die mate afhankelijk is van verzorging door appellante dat gezegd moet worden dat hij niet alleen kan thuisblijven.


De Raad is uit de voorhanden gegevens en hetgeen ter toelichting door en namens appellante ter zitting is aangevoerd niet kunnen blijken dat verweerster ten onrechte tot deze conclusie is gekomen. De namens appellante aangevoerde omstandigheid dat zij nog altijd zeer bezorgd is over haar zoon [J.], en dat hij ook nog altijd haar bijzondere aandacht heeft, maakt het vorenstaande niet anders. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat het voor appellante ook bijzonder prettig en geruststellend is indien haar zoon [J.] haar begeleidt bij haar vakanties, hetgeen hij in feite ook altijd doet.


Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat verweerster op goede gronden heeft geoordeeld dat de eerder aanwezig geachte reden om de toekenning van een tegemoetkoming in de kosten van extra vakantie aan appellante zich mede te laten uitstrekken tot haar zoon [J.] zich thans niet (meer) voordoet.

Voor vernietiging van het bestreden besluit bestaat derhalve geen grond.


De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en C.G. Kasdorp en W.D.M. van Diepenbeek als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2006.


(get.) G.L.M.J. Stevens.


(get.) M.R.S. Bacon.