Centrale Raad van Beroep, 22-11-2006 / 06-256 WW


ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3655

Inhoudsindicatie
WW-uitkering geweigerd. Aanvraag te laat ingediend?
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-11-22
Publicatiedatum
2006-12-07
Zaaknummer
06-256 WW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

06/256 WW


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 2 december 2005, nr. 05/365 WW (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 22 november 2006.

I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2006. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.T.R. van der Werf, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen zoals die luidden ten tijde als hier van belang.


2.1. Appellant ontving sedert 1 oktober 2002 een uitkering ingevolge de WW. Met ingang van 12 mei 2003 is hij via uitzendbureau Adecco als calculator gaan werken bij [B.V.] te [vestigingsplaats]. In verband hiermee is appellant bij besluit van 7 juli 2003 meegedeeld dat hij met ingang van 12 mei 2003 geen recht meer heeft op WW-uitkering omdat hij niet langer werkloos is.


2.2. Appellant heeft van 14 juli 2003 tot 11 augustus 2003 niet gewerkt omdat het bedrijf waar hij werkzaam was in die periode was gesloten vanwege de bouwvakvakantie.

Op 19 november 2004 heeft appellant ter zake van deze werkloosheid een WW-uitkering aangevraagd.


2.3. Bij besluit van 24 november 2004 is appellant meegedeeld dat hij per 14 juli 2003 geen WW-uitkering kan krijgen. Om hiervoor in aanmerking te komen had hij binnen 26 weken na de periode van 14 juli 2003 tot 11 augustus 2003 een aanvraag moeten indienen, hetgeen hij niet heeft gedaan.


2.4. In bezwaar heeft appellant gesteld dat hij wel tijdig een aanvraag om WW-uitkering heeft ingediend, namelijk bij brief van 3 december 2003 gericht aan het Uwv en, nadat hem telefonisch was meegedeeld dat hij zich daarvoor moest wenden tot het CWI, bij brief van 20 januari 2004 gericht aan het CWI. Appellant heeft afschriften van beide brieven bij zijn bezwaarschrift gevoegd.


2.5. Bij besluit van 24 januari 2005 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het Uwv stelt de door appellant genoemde brieven van 3 december 2003 en van 20 januari 2004 niet te hebben ontvangen en dat, nu deze brieven niet aangetekend zijn verzonden, het tijdstip van verzenden niet meer valt vast te stellen.


2.6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd omdat het Uwv niet ongemotiveerd had mogen afzien van het horen van appellant in bezwaar. De rechtbank zag echter tevens aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de gemachtigde van het Uwv ter zitting heeft verklaard dat bij onderzoek in appellants dossier de brieven van 3 december 2003 en 20 januari 2004 niet zijn aangetroffen. De rechtbank had geen reden hieraan te twijfelen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat, nu appellant de genoemde brieven niet aangetekend heeft verzonden en daarmee de verzending niet kan bewijzen, het risico dat deze brieven niet bij het Uwv en/of het CWI zijn aangekomen bij hem ligt.


2.7. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij geen enkele reden had om aan te nemen dat zowel de brief aan het Uwv als de brief aan het CWI niet zijn aangekomen omdat beide instanties telefonisch hebben gereageerd op zijn brieven. Verder heeft appellant gesteld dat hij naar aanleiding van zijn brief van 20 januari 2004 een telefoongesprek heeft gevoerd met een medewerker van het CWI die hem, naar achteraf bleek ten onrechte, heeft meegedeeld dat hij geen recht had op WW-uitkering. Om die reden heeft appellant geen aanvraag ingediend, maar omdat hij het gevoel had dat er iets niet klopte heeft hij dat op 19 november 2004 alsnog gedaan. De Raad begrijpt deze laatste stelling aldus dat appellant door onjuiste informatie van het CWI niet tijdig een aanvraag WW-uitkering heeft ingediend en dat hierin een “bijzonder geval” als bedoeld in de tweede volzin van artikel 23 van de WW is gelegen, op grond waarvan het Uwv zijn aanvraag in behandeling had moeten nemen.


3. De Raad overweegt het volgende.


3.1. Ingevolge artikel 23 van de WW kan het recht op WW-uitkering niet worden vastgesteld over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om uitkering is ingediend. Het Uwv is bevoegd om in bijzondere gevallen af te wijken van de eerste volzin.


3.2. De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat het Uwv terecht over de periode van 14 juli 2003 tot 11 augustus 2003 WW-uitkering heeft geweigerd omdat artikel 23 van de WW daaraan in de weg staat.


3.3. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat appellant tijdig een aanvraag om WW-uitkering heeft ingediend. Evenals de rechtbank heeft de Raad geen reden om te twijfelen aan de verklaring van het Uwv dat de brieven van 3 december 2003 en van 20 januari 2004 niet zijn ontvangen. Voorts onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat, nu appellant die brieven niet aangetekend heeft verzonden en daarmee de verzending niet kan bewijzen, het risico dat deze brieven niet bij het CWI en/of het Uwv zijn aangekomen bij hem ligt. Dit betekent dat ook de Raad ervan uitgaat dat appellant pas op 19 november 2004 een aanvraag WW-uitkering heeft ingediend.


3.4. Naar aanleiding van de stelling van appellant dat hij niet tijdig een aanvraag WW-uitkering heeft ingediend omdat een medewerker van het CWI hem onjuist zou hebben geïnformeerd over zijn recht op uitkering overweegt de Raad dat hij hierin geen grond ziet voor het aannemen van een “bijzonder geval” als bedoeld in de tweede volzin van artikel 23 van de WW reeds omdat appellant deze stelling niet met verifieerbare gegevens heeft onderbouwd.


4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten in hoger beroep, dient te worden bevestigd.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, inzake de vergoeding van proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten in hoger beroep.


Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 november 2006.


(get.) T. Hoogenboom.


(get.) L. Karssenberg.