Centrale Raad van Beroep, 23-11-2006 / 05-5085 AW


ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3677

Inhoudsindicatie
Afwijzing door minister van het verzoek van ambtenaar om het sparen op basis van de spaarovereenkomst te beëindigen en de gemiddelde arbeidsduur met ingang van 1 januari 2003 vast te stellen op 40 uur per week.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-11-23
Publicatiedatum
2006-12-08
Zaaknummer
05-5085 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

05/5085 AW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 1 juli 2005, 04/154 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Minister van Justitie (hierna: minister)


Datum uitspraak: 23 november 2006


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


De minister heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het geding 05/5086 tussen drs. P.A.W. [S. K.] en de minister, plaatsgevonden op 12 oktober 2006. Appellant is verschenen en bijgestaan door mr. D. van Zoelen, werkzaam bij de CMHF. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. Nordsiek en mr. R.W.M. van der Zon, beiden werkzaam bij het ministerie van Justitie. Op verzoek van appellant is als getuige gehoord A. [L.]. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. Thans wordt in het onderhavige geding afzonderlijk uitspraak gedaan.


II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant is sinds 1967 werkzaam geweest als directielid bij verschillende onderdelen van het gevangeniswezen. Tot

15 juni 1999 was hij algemeen directeur van de Penitentiaire Inrichtingen [naam inrichting te [plaatsnaam].


1.2. Op 29 mei 1997 zijn het hoofd van de dienst Justitiële Inrichtingen en appellant een werktijdregeling overeengekomen op basis waarvan appellant in een zogeheten spaarperiode gemiddeld 40 uur per week werkzaamheden zou verrichten en de compensatie-uren zouden worden opgespaard. De spaarperiode is ingevolge artikel 1, onder a, van de overeenkomst de periode die loopt van 1 november 1997 tot 1 november 2004. Volgens artikel 1, onder b, van de overeenkomst wordt de opgebouwde compensatie na afloop van de spaarperiode in een aaneengesloten periode opgenomen.

Naar de bedoeling van partijen zou daarmee de periode tot aan het functioneel leeftijdsontslag (FLO) worden overbrugd.


1.3. Appellant is, na onderling overleg, bij besluit van 26 februari 1999 vanuit zijn functie van algemeen directeur van de Penitentiaire Inrichtingen [naam inrichting] met ingang van 15 juni 1999 geplaatst in de functie van adviseur van de hoofddirecteur van de Dienst Justitiële Inrichtingen. Bij dit besluit is appellant tevens meegedeeld dat zijn rechtspositie een zelfde verloop zal hebben als ware hij algemeen directeur van de genoemde Penitentiaire Inrichtingen gebleven. Ook is in genoemd besluit vermeld: “Voorts zult u bij het bereiken van de FLO-gerechtigde leeftijd de dienst verlaten. Feitelijk zal de datum waarop u de dienst verlaat nog eerder liggen daar u gebruik maakt van de zogenaamde spaarvariant na

40 dienstjaren.”.


1.4. Bij brief van 12 december 2002 heeft appellant de minister verzocht het sparen op basis van de spaarovereenkomst te beëindigen en zijn gemiddelde arbeidsduur met ingang van 1 januari 2003 vast te stellen op 40 uur per week. Dit verzoek is afgewezen bij besluit van 22 juli 2003. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de minister ongegrond verklaard bij zijn besluit van 10 december 2003 (hierna: bestreden besluit).


2. Het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat de minister heeft kunnen beslissen dat een zwaarwegend dienstbelang zich verzet tegen de toewijzing van het verzoek.


3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd als volgt.


3.1. Ingevolge artikel 21, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 25 april 2002 (Stb. 216), in werking getreden per 1 april 2002, bedraagt de arbeidsduur gemiddeld ten hoogste 36 uur per week. Op grond van de tweede volzin van deze bepaling kan de ambtenaar bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om de arbeidsduur in hele uren vast te stellen op meer dan gemiddeld 36 uur per week, waarbij een maximum geldt van gemiddeld 40 uur per week. Deze aanvraag wordt blijkens de derde volzin toegewezen tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet. In de toelichting bij voornoemde wijziging en in de Circulaire van 11 april 2002, kenmerk 5150192/02/DJI, met betrekking tot de flexibilisering van de arbeidsduur zijn voorbeelden gegeven van situaties waarin een (zwaarwegend) dienstbelang zich verzet tegen toewijzing van een verzoek om verhoging van de gemiddelde arbeidsduur per week. Daarvan is onder meer sprake als een dergelijk verzoek zou leiden tot ernstige problemen:

- van financiële of organisatorische aard;

- wegens het niet voorhanden zijn van voldoende werk;

- of omdat de formatieruimte onvoldoende is.

De gegeven opsomming is niet limitatief.


3.2.1. De Raad acht aannemelijk dat de minister voor de functie van adviseur in 1999 als uitgangspunt heeft genomen een arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per week. Dit is immers de normale arbeidsduur volgens artikel 21, tweede lid, eerste volzin, van het ARAR. Daarbij acht de Raad van belang dat voldoende is komen vast te staan dat deze functie van adviseur speciaal voor appellant is gecreëerd en dat hij daarin is geplaatst voor een vooraf vastgestelde duur ter overbrugging van de periode van 1999 tot aan zijn FLO-gerechtigde leeftijd. Voorts is niet gebleken dat deze functie niet binnen deze gemiddelde arbeidsduur vervuld zou kunnen worden. Of appellant in december 2002 tevens is geplaatst in de functie van portefeuilledirecteur Beveiliging bij het gevangeniswezen kan in het midden blijven, nu de Raad voldoende aannemelijk acht dat de daaraan verbonden werkzaamheden door middel van herschikking van taken van zijn adviseursfunctie konden worden opgevangen. De in 1.2 genoemde overeenkomst gaat weliswaar uit van een werkweek van gemiddeld 40 uur per week, maar deze overeenkomst was reeds tot stand gekomen voordat appellant was geplaatst in de functie van adviseur en is door partijen bij de overplaatsing gehandhaafd, teneinde geen wijziging te brengen in de voorgenomen datum van feitelijke beëindiging van de werkzaamheden voorafgaande aan het formele FLO-ontslag. Dat appellant in de praktijk wellicht nog (veel) meer dan gemiddeld 40 uur per week heeft gewerkt acht de Raad niet door-slaggevend nu de minister dit in deze functie niet van hem verlangde en de minister de vrijheid toekomt om de omvang van een functie te bepalen. Overigens is het verrichten van (enig) overwerk in een functie van dit niveau allerminst ongebruikelijk. Onder deze omstandigheden heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een (zwaarwegend) dienstbelang zich verzet tegen toewijzing van het verzoek wegens onvoldoende werkaanbod voor een werkweek van gemiddeld 40 uur per week.


3.2.2. Appellant heeft ten slotte nog naar voren gebracht dat het verzoek tot wijziging van de formele arbeidsduur naar 40 uur per week van anderen, onder wie een of meer algemeen directeuren van penitentiaire inrichtingen, wèl is ingewilligd. Daarmee heeft hij een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Naar het oordeel van de Raad is echter geen sprake van gelijke gevallen. De in de brief van 26 februari 1999 opgenomen algemene toezegging dat de rechtspositie van appellant die van de algemeen directeur zal volgen kan naar het oordeel van de Raad niet zien op uitbreiding van de formele arbeidsduur, omdat in deze zelfde brief tegelijkertijd over de arbeidsduur een uitdrukkelijke afspraak is gemaakt, welke daarin bestaat dat appellant bij het bereiken van de FLO- gerechtigde leeftijd de dienst zal verlaten, maar dat deze datum feitelijk eerder zal liggen wegens de spaarovereenkomst. Het besluit is dan ook niet in strijd te achten met het gelijkheidsbeginsel en evenmin met het vertrouwensbeginsel.


3.3. Nu reeds het ontbreken van voldoende (structureel) werkaanbod zich verzet tegen toewijzing van het verzoek van appellant, is er geen aanleiding in te gaan op de overige door de minister gehanteerde afwijzingsgronden.


3.4. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 november 2006.


(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.


(get.) P.W.J. Hospel.