Centrale Raad van Beroep, 06-12-2006 / 05-2500 ZW


ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3859

Inhoudsindicatie
Weigering toekenning ziekengeld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-12-06
Publicatiedatum
2006-12-08
Zaaknummer
05-2500 ZW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

05/2500 ZW


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellante], (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 22 maart 2005, 04/2020 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).


Datum uitspraak: 6 december 2006

I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M. de Jong, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2006. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A.A. Soer.


II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van het Uwv van 22 april 2004 is de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt- heidsverzekering (WAO) per 23 juni 2004 ingetrokken, omdat zij in staat wordt geacht om met de - met behulp van het claim beoordelings- en borgingssysteem (CBBS) - geduide functies (productiemedewerkster industrie, productiemedewerkster textiel en lederbewerker) een zodanig inkomen te verdienen dat zij niet langer arbeidsongeschikt kan worden geacht in de zin van de WAO. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.


Appellante heeft zich op 28 juni 2004 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld.


Bij besluit van 5 juli 2004 is aan appellante kenbaar gemaakt dat aan haar met ingang van 6 juli 2004 geen ziekengeld (meer) wordt toegekend. Volgens verzekeringsarts R.C. van Rijswijk zijn de klachten van appellante in grote lijnen vergelijkbaar met de klachten die appellante bij de WAO-beoordeling op 30 maart 2004 heeft geuit en is er geen sprake is van een toename van beperkingen. Appellante wordt in staat geacht om ten minste één van de geduide functies te verrichten.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 10 september 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op het rapport van 7 september 2004 van bezwaarverzekeringsarts D. Ubbink.


De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard, daarbij met name betekenis toekennend aan het door bezwaarverzekeringsarts Ubbink uitgebrachte rapport.


De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens aangedragen die een ander licht werpen op haar gezondheidstoestand ten tijde in geding. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.


Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 december 2006.


(get.) Ch. van Voorst.


(get.) A. van Netten.