Centrale Raad van Beroep, 01-12-2006 / 04-20 WAO


ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4096

Inhoudsindicatie
WAO-schatting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-12-01
Publicatiedatum
2006-12-11
Zaaknummer
04-20 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

04/20 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 november 2003, 02/3459

(hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 1 december 2006


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. N.D. Dane, werkzaam bij ABVAKABO FNV, regiokantoor Zuid-Holland Zuid, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2006. Appellant is verschenen in persoon bijgestaan door mr. J. van de Ruit, eveneens werkzaam bij ABVAKABO FNV. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P.H.C. de Bruijn.



II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 2 juli 2001 heeft het Uwv aan appellant per 3 juli 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.


Het tegen dit besluit door appellant ingediende bezwaar is bij besluit van

22 november 2002 ongegrond verklaard.


Bij de aangevallen uitspraak is het door appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 22 november 2002 ongegrond verklaard. De rechtbank is in deze uitspraak tot het oordeel gekomen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 3 juli 2001 terecht en op goede gronden is bepaald op 35 tot 45%.


In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat zijn beperkingen niet juist zijn weergegeven op het “FIS-belastbaarheidspatroon”. Appellant acht zich niet in staat - in welke functie dan ook - meer dan 10 uur per week te werken. Hij voelt zich gesteund door hetgeen de bezwaarverzekeringsarts H.J.M. Stammers in zijn rapport van

1 oktober 2002 heeft vermeld.


Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van hetgeen appellant reeds bij de rechtbank naar voren heeft gebracht.


Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat voor een beperking als door appellant wordt voorgestaan geen aanleiding bestaat. De verzekeringarts J.H.C. Ververs-van Hellenberg Hubar heeft in haar aan het aan het besluit van 2 juli 2001 ten grondslag liggende rapport van 13 juni 2001 aangegeven, dat appellant een energieverlies heeft dat hem beperkt in het uitvoeren van zijn ”eigen werk of dan wel ander werk”. Zij acht appellant geschikt voor hele dagen werk in een rustige niet enerverende omgeving. Op het FIS-formulier heeft de verzekeringsarts nog aangegeven dat appellant zijn eigen werk slechts voor

10 uur per week kan verrichten.

Uit de in beroep door het Uwv ingebrachte verklaring van de bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp van 10 februari 2003 blijkt naar het oordeel van de Raad op overtuigende wijze dat de verzekeringsarts zich in haar rapport van 13 juni 2001 terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor een urenbeperking als appellant wenst - een algemene beperking van de arbeidsduur tot 10 uur per week - geen aanleiding bestaat. De bezwaarverzekeringsarts heeft rekening gehouden met de informatie verkregen van de appellant behandelende internist-infectioloog J.L. Nouwen en is mede op basis van deze informatie tot de opvatting gekomen dat de verzekeringsarts de juiste beperkingen voor appellant heeft vastgesteld. Ook de bezwaarverzekeringsarts is tot de opvatting gekomen dat appellant niet langer geschikt is zijn eigen werk gedurende de voor hem geldende volledige werktijd te verrichten. Appellant zou dit werk voor slechts maximaal 10 uur per week mogen verrichten. De bezwaarverzekeringsarts is echter evenzeer van mening dat appellant ander - kort samengevat - minder hectisch en rustiger werk wel hele dagen kan verrichten. Uit de door appellant overgelegde stukken, waaronder de verklaring van Nouwen, is de Raad geenszins kunnen blijken dat de verzekeringsarts Ververs-van Hellenberg Hubar de mogelijkheden van appellant heeft overschat.


Evenals de rechtbank kent de Raad geen doorslaggevende betekening toe aan het in bezwaar door de bezwaarverzekeringsarts Stammers op 1 oktober 2002 uitgebracht rapport. Dit reeds omdat de in dit rapport neergelegde opvatting berust op een verkeerde interpretatie van het rapport van de verzekeringsarts Ververs-van Hellenberg Hubar.


Het hoger beroep van appellant treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en J. Brand als leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier uitgesproken in het openbaar op 1 december 2006.


(get.) J.W. Schuttel.


(get.) W.R. de Vries.


BKH 231106