Centrale Raad van Beroep, 15-12-2006 / 05-1257 WAO


ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4909

Inhoudsindicatie
Weigering WAO-uitkering per einde wachttijd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-12-15
Publicatiedatum
2006-12-21
Zaaknummer
05-1257 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

05/1257 WAO


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 februari 2005, 04/ 1768

(hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv),


Datum uitspraak: 15 december 2006


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant, heeft mr. A.P.A. Snijders, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2006 waar appellant is verschenen bijgestaan door

mr. Snijders, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.J. Laaracker.


II. OVERWEGINGEN


Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent, gelet op de gedingstukken met juistheid, heeft weergegeven.


De Raad volstaat met de vermelding dat het Uwv bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 21 september 2004 het besluit van 27 mei 2004 heeft gehandhaafd, waarbij is meegedeeld dat appellant in aansluiting op de wettelijke wachttijd met ingang van 10 juni 2004 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO), omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt is.


De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard en als haar oordeel gegeven dat zij, gelet op de aanwezige medische gegevens, geen aanknopingspunten heeft voor de veronderstelling dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen onzorgvuldig is geweest. In dat verband heeft de rechtbank overwogen dat er geen reden is om aan te nemen dat het medisch onderzoek louter steunt op verouderde gegevens of dat het onderzoek zonder informatie van de behandelend arts(en) zodanig onvolledig is geweest dat de besluitvorming niet voldoet aan het zorgvuldigheidsbeginsel. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv in de Functionele Mogelijkheden Lijst voldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen van appellant.

De rechtbank heeft tenslotte geoordeeld dat appellant medisch gezien ten tijde hier in geding in staat moest worden geacht de door de arbeidsdeskundige de voor hem geselecteerde functies te vervullen.


Hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd, vormt in essentie een herhaling van de grieven in bezwaar en beroep. Appellant is de mening toegedaan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat gebruik is gemaakt van verouderde gegevens en dat geen informatie is ingewonnen bij de behandelend sector. Daarnaast is aangevoerd dat de klachten van appellant door de (bezwaar)verzekeringsartsen zijn onderschat en dat hij niet in staat is tot het vervullen van de voor hem geselecteerde functies noch is hij door deze klachten in staat om welke functie dan ook te vervullen. In dat verband heeft appellant er op gewezen dat hij steeds weer langdurig uitvalt waardoor hij geen reëel aanbod vormt voor de arbeidsmarkt.


De Raad onderschrijft ten volle de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de grief inzake het onzorgvuldige onderzoek. Ook de Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts onvolledig is geweest, teminder nu informatie van de huisarts van 13 september 2004 bij de beoordeling is betrokken. De Raad is tevens, met de rechtbank, van oordeel dat de medische beperkingen van appellant door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts niet zijn onderschat. Er bestond voor hen, gelet op de voorhanden zijnde gegevens, onder andere afkomstig van de huisarts van appellant, onvoldoende aanleiding om nadere informatie bij een of meer specialisten op te vragen. Daarbij weegt mee, dat van de zijde van appellant in beroep noch in hoger beroep nadere medische gegevens zijn overgelegd die aanwijzingen bevatten voor het oordeel dat appellant in objectief-medische zin op de hier in geding zijnde datum ernstiger beperkt is te achten dan de beperkingen die reeds door de (bezwaar)verzekeringsartsen in aanmerking zijn genomen. De Raad kan de stelling van appellant, dat hij zwaarder beperkt is dan door voormelde artsen is aangenomen, dan ook niet onderschrijven.


Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van de schatting merkt de Raad op zich te kunnen verenigen met hetgeen de rechtbank hieromtrent in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Met de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat de aan deze functies verbonden belasting in relatie tot de door de verzekeringsarts aangenomen beperkingen de belastbaarheid van appellant niet overschrijden.


De grief van appellant dat hij geen reëel aanbod is voor de arbeidsmarkt omdat hij zich in december 2003 reeds weer heeft moeten ziek melden en in dat kader een uitkering ingevolge de Ziektewet heeft ontvangen, treft geen doel. De Raad overweegt ten aanzien hiervan dat het in onderhavig geval gaat om een beoordeling in het kader van de WAO op de datum

10 juni 2004. De ziekmelding in december 2003 staat naar het oordeel van de Raad in een te verwijderd verband tot de datum thans in het geding om het bestreden besluit voor onjuist te houden.


De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


De uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L.H. Vogt als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 december 2006.


(get.) D.J. van der Vos.


(get.) L.H. Vogt.