Centrale Raad van Beroep, 22-12-2006 / 05-1495 WW


ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5225

Inhoudsindicatie
Is terecht WW-uitkering geweigerd omdat betrokkene geen werknemer in de zin van de WW zou zijn geweest?
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-12-22
Publicatiedatum
2006-12-27
Zaaknummer
05-1495 WW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

05/1495 WW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2005, 04/139

(hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


[betrokkene], (hierna: betrokkene)


en


appellant.


Datum uitspraak: 22 december 2006


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Namens betrokkene heeft mr. A. Paternotte, advocaat te Hoofddorp, een verweerschrift ingediend.


Op verzoek van de Raad heeft mr. Paternotte bij brieven van 9 december 2005 en

28 april 2006 nadere stukken in het geding gebracht. Appellant heeft op deze stukken gereageerd bij brieven van 8 februari 2006 en 22 mei 2006.


Ten slotte heeft mr. Paternotte bij brief van 27 oktober 2006 nog enkele stukken in het geding gebracht met betrekking tot de toekenning van een WW-uitkering.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door I. Eijkhout LLB. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Paternotte, voornoemd.



II. OVERWEGINGEN


Betrokkene is met ingang van 1 februari 2002 in dienst getreden bij het Europees Ruimtevaart Agentschap (European Space Agency, ESA) op basis van een contract voor 4 jaar. Krachtens dit contract is betrokkene tewerkgesteld bij het Europees Centrum voor onderzoek en technologie-ontwikkeling op ruimtevaartgebied (European Space Technology Centre, ESTEC) te Noordwijk. Betrokkene is in verband met het verrichten van deze werkzaamheden verhuisd van Parijs naar Oegstgeest.


Bij brief van 4 juni 2002 heeft ESA betrokkene, binnen de proeftijd van 6 maanden, met ingang van 31 juli 2002 ontslagen. Tevens is betrokkene bij deze brief op non-actief gesteld. Het door betrokkene tegen zijn ontslag ingediende beroep is door de Appeals Board van ESA op 28 april 2003 ongegrond verklaard.


Betrokkene heeft in februari 2003 aan appellant verzocht hem een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toe te kennen. Bij besluit van 28 februari 2003 heeft appellant geweigerd een WW-uitkering aan betrokkene toe te kennen, omdat hij geen werknemer in de zin van de WW zou zijn geweest.


Bij beslissing op bezwaar van 18 juni 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant de namens betrokkene aangevoerde bezwaren tegen het besluit van 28 februari 2003 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat op grond van artikel 7 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990

(Stb. 1989, 402, hierna: het Besluit), niet als werknemer in de zin van de WW wordt aangemerkt degene die in dienst is van een volkenrechtelijke organisatie en op wie de regeling inzake sociale zekerheid van die organisatie van toepassing is. Nu ESA als een zodanige volkenrechtelijke organisatie is aangewezen en het “ESA Social Security Scheme” op betrokkene van toepassing is geweest, was betrokkene naar het oordeel van appellant niet verzekerd krachtens de WW. Ten slotte heeft appellant het beroep van betrokkene op het gelijkheidsbeginsel verworpen, omdat niet is gebleken dat sprake is van gelijke gevallen.


De rechtbank heeft het beroep van betrokkene gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat op grond van artikel 3, vijfde lid, aanhef en onder b, van de WW slechts van het eerste lid van dat artikel afgeweken kan worden als de betreffende volkenrechtelijke organisatie een verzekering kent tegen de geldelijke gevolgen van werkloosheid. Naar het oordeel van de rechtbank voorziet het ESA Social Security Scheme niet in een regeling terzake van het risico van werkloosheid, zodat geen sprake kan zijn van een afwijking van de verzekeringsplicht voortvloeiend uit artikel 3, eerste lid, van de WW. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat artikel 16, eerste lid, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Europees Ruimte Agentschap inzake het Europees Centrum voor onderzoek en technologie-ontwikkeling op ruimtevaartgebied van 10 februari 1999, Trb. 1999, 41 (hierna: Zetelovereenkomst) niet tot een ander oordeel kan leiden, nu het ESA Social Security Scheme niet een vergelijkbare dekking biedt met de Nederlandse socialezekerheidswetgeving terzake van werkloosheid, zoals krachtens dit artikel is vereist.


Appellant heeft in hoger beroep allereerst aangevoerd dat de rechtbank artikel 16 van de Zetelovereenkomst niet juist heeft uitgelegd. Volgens appellant geldt de uitsluiting van de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving reeds als het ESA een eigen sociaal zekerheidsstelsel kent en geldt deze eveneens als het ESA aansluiting zoekt bij een ander stelsel, zij het dat dan sprake dient te zijn van een vergelijkbare dekking met het Nederlandse stelsel. Bij brief van 8 februari 2006 heeft appellant aangegeven nader van mening te zijn dat het ESA wel een regeling terzake van werkloosheid kent, zodat voldaan is aan de voorwaarden om betrokkene op grond van artikel 3, vijfde lid, van de WW niet als werknemer aan te merken. Daarbij is verwezen naar de ESA Staff Regulations, Rules and Instructions en naar de ESA Pension Scheme Rules and Implementing Instructions.


Namens betrokkene is het standpunt van appellant in hoger beroep uitgebreid bestreden. Tevens is namens betrokkene een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, waarbij is verwezen naar enkele gevallen waarin wel een WW-uitkering is toegekend aan personen die werkzaam zijn geweest bij een volkenrechtelijke organisatie.


De Raad overweegt het volgende.


Tussen partijen is in hoger beroep allereerst in geschil of appellant terecht heeft besloten dat betrokkene tijdens zijn werkzaamheden in dienst van ESA in Nederland geen werknemer is geweest krachtens de WW en op die grond geen aanspraak heeft op een uitkering krachtens die wet.

Krachtens artikel 3, eerste lid, van de WW is werknemer de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat. Ingevolge het vijfde lid, aanhef en onder b, van dit artikel kan bij algemene maatregel van bestuur afgeweken worden van het bepaalde in het eerste lid ten aanzien van personen op wie een regeling van toepassing is inzake verzekering tegen geldelijke gevolgen van werkloosheid van, onder meer, een volkenrechtelijke organisatie. Deze bevoegdheid is nader omschreven in artikel 7 van het Besluit, welk artikel aldus luidt:

“1. Als werknemer in de zin van de werknemersverzekeringen wordt niet beschouwd de persoon die in dienst is van een volkenrechtelijke organisatie en op wie de regeling inzake sociale zekerheid van die organisatie van toepassing is, tenzij hij:

a. in Nederland arbeid in dienstbetrekking verricht anders dan uit hoofde van

vorenbedoelde dienstbetrekking; of

b. een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangt.

2. De volkenrechtelijke organisaties, bedoeld in het eerste lid, worden door

Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken, aangewezen.”

Bij de Regeling aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland, Stcrt. 1991, 167, heeft de aanwijzing bedoeld in het tweede lid van artikel 7 van het Besluit plaatsgevonden. In artikel 1, aanhef en onder 8 van deze Regeling wordt ESA genoemd.


Partijen verschillen van mening over de vraag of de aanwijzing van ESA als een volkenrechtelijke organisatie als bedoeld in artikel 7 van het Besluit ook wat betreft de toepassing van de WW, gelet op het bepaalde in artikel 3, vijfde lid, van de WW, verbindend is.


Met betrekking tot dit geschilpunt stelt de Raad voorop dat volkenrechtelijke organisaties veelal een bijzondere positie innemen binnen de nationale Nederlandse rechtsorde, welke zijn grondslag vindt in verdragen en/of (zetel)overeenkomsten tussen Nederland en de betreffende volkenrechtelijke organisatie. Deze bijzondere positie hangt samen met de doelstelling, als verwoord in artikel 91 van de Grondwet, de internationale rechtsorde te bevorderen en met de erkenning van een zekere souvereiniteit van volkenrechtelijke organisaties. Met betrekking tot de ESA is, voorzover hier van belang, in artikel XX van Annex I bij het Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte Agentschap, bepaald dat wanneer de ESA een eigen sociaal zekerheidsstelsel vestigt alle medewerkers van ESA vrijgesteld zullen zijn van verplichte bijdragen voor nationale sociale zekerheidsregelingen. Verder is in artikel 16 van de Zetelovereenkomst bepaald dat zolang de ESA een eigen sociaal zekerheidsstelsel heeft of aansluiting zoekt bij een stelsel dat een vergelijkbare dekking biedt met de Nederlandse sociale zekerheids-wetgeving, de ESA vrijgesteld zal zijn van het Nederlandse stelsel. Voorzover uit deze verdragsbepalingen al niet rechtstreeks voortvloeit dat het Nederlands sociaal verzekeringsstelsel niet van toepassing is op medewerkers van ESA, zodra sprake is van een eigen sociaal zekerheidsstelsel, moet de aanwijzing van een volkenrechtelijke organisatie als hiervoor bedoeld naar het oordeel van de Raad mede beoordeeld worden in het licht van het betreffende verdrag en de doelstelling van de verdragspartijen.


De Raad stelt allereerst vast dat het bepaalde in artikel 7 van het Besluit, waarin sprake is van “een regeling van sociale zekerheid van die organisatie”, niet overeenstemt met hetgeen is bepaald in artikel 3, vijfde lid, van de WW, waar gesproken wordt over “een regeling inzake verzekering tegen de geldelijke gevolgen van werkloosheid”. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad van oordeel dat de aanwijzing van een volkenrechtelijke organisatie op grond van artikel 7 van het Besluit voor de toepassing van artikel 3, vijfde lid, van de WW alleen dan verbindend kan worden geacht als de betreffende volkenrechtelijke organisatie een voorziening of regeling kent met betrekking tot de geldelijke gevolgen van werkloosheid. Daarbij acht de Raad, gelet op het feit dat een regeling inzake de diverse takken van sociale zekerheid op zeer verschillende wijzen vorm kan worden gegeven, niet van doorslaggevend belang of de regeling terzake van werkloosheid in de vorm van een verzekering is gegoten, dan wel in een andere juridische vorm gestalte heeft gekregen. Bepalend is naar ’s Raads oordeel of sprake is van een door de volkenrechtelijke organisatie officieel gereglementeerde voorziening welke beoogt de geldelijke gevolgen van het risico van werkloosheid in enigerlei vorm en gedurende enig tijdvak, onder nader omschreven voorwaarden, te compenseren. Daarbij dient sprake te zijn van een in een regeling omschreven subjectief te bepalen recht voor een betrokkene.


De Raad stelt vast dat uit de in hoger beroep overgelegde ESA Staff Regulations, Rules and Instructions blijkt dat wanneer een werknemer zijn werk verliest aanspraak bestaat op een “indemnity for loss of job”. De hoogte van deze vergoeding, die in een bedrag ineens wordt uitbetaald, is afhankelijk van de aard van het dienstverband. Verder is de vergoeding afhankelijk van de hoogte van het salaris en van het aantal maanden gedurende welke de betrokkene werkzaam is geweest, zij het tot bepaalde exact omschreven maxima. Voorts is in artikel 11 van de ESA Pension Scheme Rules and Instructions bepaald dat medewerkers die bij de beëindiging van het dienstverband (nog) geen aanspraak hebben op een ouderdomspensioen, onder omstandigheden, in aanmerking kunnen komen voor een “leaving allowance”.


Met appellant is de Raad van oordeel dat in ieder geval de bepalingen in de Staff Regulations over de “indemnity for loss of job” aangemerkt moeten worden als een regeling inzake de geldelijke gevolgen van werkloosheid als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de WW, zulks mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de uitleg van deze bepaling. Daarbij acht de Raad van belang dat de regeling voorziet in een subjectief bepaalbaar recht voor de betrokkenen en de regeling kennelijk beoogt voor een bepaalde periode, althans voor een bepaald bedrag, het risico van werkloosheid en met name het wegvallen van inkomsten uit arbeid te compenseren. Het feit dat aan betrokkene niet een dergelijke vergoeding is toegekend, kennelijk in verband met de duur van zijn dienstverband en/of andere omstandigheden, kan niet leiden tot een andersluidend oordeel.


Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat appellant terecht heeft besloten dat betrokkene geen werknemer is geweest ingevolge de WW tijdens zijn werkzaamheden in dienst van ESA in Nederland en dat hij op grond van de WW geen aanspraak kan maken op een uitkering ingevolge die wet.


Ten slotte is namens betrokkene een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Daarbij is gewezen op een aantal beslissingen uit 1996 waarin aan werkloos geworden medewerkers van een andere volkenrechtelijke organisatie wel een WW-uitkering is toegekend en op één recent besluit van appellant. Namens appellant is ten aanzien van de beslissingen uit 1996 aangegeven dat toentertijd een fout is gemaakt, hetgeen duidelijk werd toen appellant premies voor één of meer werknemersverzekeringen wilde heffen bij de betreffende organisatie. Met betrekking tot het recente besluit heeft appellant opgemerkt dat onduidelijk is gebleven op welke grondslag is besloten een WW-uitkering aan de betrokkene toe te kennen, nadat het bezwaar gegrond was verklaard, omdat het dossier verdwenen bleek te zijn.


Ten aanzien van de beslissingen uit 1996 is naar ’s Raads oordeel in voldoende mate aannemelijk geworden dat deze op een fout van appellant berusten, welke heeft geleid tot een aanpassing van de handelwijze van appellant voor nieuwe soortgelijke gevallen. De Raad wijst er in dit verband op dat volgens vaste jurisprudentie het gelijkheidsbeginsel niet zover strekt dat een bestuursorgaan gehouden is om in het verleden gemaakte fouten te herhalen. Met betrekking tot het hiervoor bedoelde recente besluit van appellant waarin een WW-uitkering is toegekend aan een werkloos geworden medewerker van een volkenrechtelijke organisatie, merkt de Raad op dat niet aannemelijk is geworden dat appellant in dat geval doelbewust is afgeweken van het terzake geldende beleid, noch dat sprake is van een aantal gemaakte fouten dat verhoudingsgewijs zo groot is dat om die reden tot strijd met het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur zou kunnen worden geconcludeerd. Dit betekent dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen.


Uit het voorgaande volgt dat appellant terecht heeft geweigerd een WW-uitkering aan betrokkene toe te kennen. De Raad moet echter vaststellen dat appellant eerst in hoger beroep de juiste motivering voor deze weigering heeft aangedragen. Derhalve ziet de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak te bevestigen, met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.


De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 966,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.


De Raad ziet ten slotte geen aanleiding van appellant een recht te heffen, nu het hoger beroep van appellant inhoudelijk slaagt.

III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.



Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen als voorzitter en M.M. van der Kade en T.L. de Vries als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 december 2006.


(get.) H. van Leeuwen.


(get.) S. Sweep.


GdJ