Centrale Raad van Beroep, 07-12-2006 / 05-2511 MAW


ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5242

Inhoudsindicatie
Terugvordering toegekende hogere toelage-buitenland.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-12-07
Publicatiedatum
2006-12-27
Zaaknummer
05-2511 MAW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

05/2511 MAW


Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant], (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 maart 2005, 04/1576 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Commandant Zeestrijdkrachten als rechtsopvolger van de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten (hierna: commandant)






Datum uitspraak: 7 december 2006


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep isngesteld.


De commandant heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2006. Namens appellant is verschenen mr. P. Reitsma, advocaat te Harderwijk. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J.C. Garrels, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.



II. OVERWEGINGEN


1. In het hierna volgende verstaat de Raad onder commandant in voorkomende gevallen (mede) de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten, als diens rechtsvoorganger.


2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.


2.1. Appellant, sergeant-majoor van de mariniers algemeen, was van 19 juli 2000 tot

16 juli 2003 geplaatst bij de marinierskazerne Savaneta op Aruba. Per 13 maart 2001 is hij gaan samenwonen met de heer V. (hierna: V.). De commandant heeft appellant met ingang van die datum als gehuwd defensie-ambtenaar aangemerkt en hem op grond van artikel 7, eerste lid, van het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel (hierna: VBD) de daarmee verband houdende hogere toelage-buitenland toegekend.


2.2. Bij besluit van 28 augustus 2003 heeft de commandant de per 13 maart 2001 toegekende hogere toelage-buitenland teruggevorderd. Bij besluit van 12 maart 2004 is dit besluit na bezwaar gehandhaafd voor de in de periode medio augustus 2001 tot en met

21 oktober 2002 genoten hogere toelage, omdat appellant en V. gedurende die periode niet op hetzelfde adres hebben gewoond.


3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 12 maart 2004 ongegrond verklaard.


4. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd als volgt.


4.1.1. In artikel 7, eerste lid, van het VBD is bepaald dat de gehuwde defensie-ambtenaar met aanspraak op salaris die is geplaatst in een gebied buiten Nederland en wiens gezin aldaar metterwoon is gevestigd, aanspraak heeft op een nader omschreven toelage-buitenland.


4.1.2. Artikel 1, aanhef en onder f, sub 1, van het VBD, zoals dit ten tijde hier van belang luidde, bepaalde dat onder gehuwde defensie-ambtenaar wordt verstaan de defensie-ambtenaar die naar Nederlands recht als gehuwd wordt beschouwd, tenzij hij is gescheiden van tafel en bed of anders dan om redenen van dienst gescheiden leeft van zijn echtgenoot.


4.1.3. Artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, van het Algemeen militair ambtenarenreglement bepaalt dat onder echtgenote of echtgenoot mede wordt verstaan de geregistreerde partner en degene die door de militair als partner is aangemeld bij de Stichting Pensioenfonds ABP (ABP) en door het bestuur van dat fonds als zodanig is aangemerkt. Van die aanmelding dient de militair een bewijs over te leggen aan de commandant.


4.2. Niet langer in geschil is dat appellant en V., die door het bestuur van het ABP als partner was aangemerkt, in de periode van 13 maart 2001 tot medio augustus 2001 samenwoonden en uit dien hoofde aanspraak hadden op een toelage-buitenland als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het VBD. In geschil is of ook in de periode van medio augustus 2001 tot en met 21 oktober 2002 aan die voorwaarde werd voldaan.


4.3. Appellant betoogt dat V. in de laatstgenoemde periode feitelijk met hem is blijven samenwonen, omdat V. zich slechts enkele dagen per maand terugtrok in de door hem gehuurde niet-zelfstandige woonruimte.


4.4. Met de rechtbank stelt de Raad vast dat uit de op 21 oktober 2002 door appellant en V. afgelegde verklaringen, die door de Koninklijke marechaussee in een ambtsedig proces-verbaal zijn vastgelegd, naar voren komt dat V. sedert medio augustus 2001 beschikte over eigen woonruimte, waarvan hij daadwerkelijk gebruik maakte. Uit die verklaringen kan worden afgeleid dat V. vanaf medio augustus 2001 niet langer metterwoon gevestigd was op het huisadres van appellant. Een en ander bood voldoende grondslag voor het oordeel van de commandant dat appellant en V. - anders dan om redenen van dienst - gescheiden leefden. Dat V. nadien andersluidend heeft verklaard doet hieraan niet af. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de op 21 oktober 2002 afgelegde verklaringen in vrijheid zijn afgelegd, gedetailleerd en nagenoeg gelijkluidend zijn en dat appellant en V. die verklaringen hebben ondertekend. Bovendien kan ook uit de latere verklaringen niet volgen dat feitelijk nog werd samengewoond, nu daaruit blijkt dat V. zijn kleding en inboedel in zijn eigen woning had en niet het merendeel van de nachten in de woning van appellant doorbracht. Appellant, die de gewijzigde omstandig-heden met betrekking tot de samenwoning niet heeft gemeld bij de commandant, had in de periode van medio augustus 2001 tot en met 21 oktober 2002 derhalve geen aanspraak op de toelage-buitenland. Over die periode is de toelage onverschuldigd aan appellant betaald.


4.5. Van omstandigheden die tot het oordeel zouden moeten leiden dat de commandant in dit geval niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot terugvordering van hetgeen onverschuldigd aan appellant is voldaan, is niet gebleken.


4.6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R. Kooper en

K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 december 2006.






(get.) J.C.F. Talman.






(get.) O.C. Boute.




HD

07.12