Centrale Raad van Beroep, 14-12-2006 / 05-4330 AW en 06-3032 AW


ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5273

Inhoudsindicatie
Besluit tot inschaling van betrokken ambtenaar is onbevoegd genomen. Rechtsgevolgen van het vernietigde besluit worden in stand gelaten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-12-14
Publicatiedatum
2006-12-28
Zaaknummer
05-4330 AW en 06-3032 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

05/4330 AW en 06/3032 AW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 juni 2005, 04/2115 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


[betrokkene], (hierna: betrokkene),


en


appellant


Datum uitspraak: 14 december 2006


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 18 mei 2006 een nieuw besluit op bezwaar genomen.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2006, waar betrokkene in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. G.M. Terlingen, advocaat te Amsterdam. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Th. Tanja, werkzaam bij de politieregio Amsterdam-Amstelland.



II. OVERWEGINGEN


1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.


1.1. Betrokkene is met ingang van 16 juni 1999 aangesteld als medewerker basis-politiezorg. Aan die functie is de rang van agent verbonden met een bezoldiging in schaal 6. Sedert 1 januari 2000 voert appellant het beleid dat een daartoe geschikt en bekwaam geachte medewerker basispolitiezorg, zodra hij twee jaar als zodanig heeft gewerkt, bij wijze van proef voor één jaar wordt geplaatst in de functie van generalist. Aan die functie is de rang van hoofdagent met bezoldiging in schaal 7 verbonden.

De medewerker die voor een jaar op proef als generalist werkzaam is, ontvangt gedurende dat jaar een toelage ter hoogte van het verschil tussen zijn salaris in schaal 6 en het salaris in schaal 7 dat hij zou hebben ontvangen als hij bij de ingang van de proefplaatsing zou zijn ingedeeld in schaal 7. De medewerker die in dat proefjaar ervan blijk geeft dat hij bekwaam en geschikt is de functie van generalist te vervullen, wordt, mits hij inmiddels in het bezit is van het certificaat generalist, direct na afloop van dat jaar (definitief) geplaatst in de functie van generalist en ingedeeld in schaal 7. In dat geval vindt die inschaling plaats op het naast hogere bedrag ten opzichte van het laatst geldende salaris vermeerderd met de toelage. Omdat alsdan bij de inschaling rekening is gehouden met de toelage, komt dit neer op een extra periodiek.


1.2. Overeenkomstig het hier beschreven beleid is betrokkene, die op dat moment werd bezoldigd naar schaal 6, salarisnummer 3, bij besluit van 30 augustus 2001 met ingang van 16 juni 2001 bij wijze van proef voor een jaar geplaatst als generalist en is haar over de periode 16 juni 2001 tot 16 juni 2002 een persoonlijke toelage toegekend naar schaal 7. Deze toelage is tot 1 juni 2002 vastgesteld op het verschil tussen schaal 6, salarisnummer 3 en schaal 7, salarisnummer 3 en - in verband met het passeren van een periodiekdatum - vanaf 1 juni 2002 tot 16 juni 2002, op het verschil tussen schaal 6, salarisnummer 4 en schaal 7, salarisnummer 4.


1.3. Op 15 juli 2002 heeft betrokkene het generalistencertificaat behaald. In verband daarmee is zij bij besluit van 10 oktober 2003 met ingang van 15 juli 2002 aangesteld in de functie van generalist en bevorderd naar schaal 7. Betrokkene is daarbij, uitgaande van salariëring volgens schaal 6, salarisnummer 4, overeenkomstig artikel 10 van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) ingeschaald in het naast hogere bedrag in schaal 7, zijnde salarisnummer 3.

Appellant heeft dit besluit, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 5 april 2004.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit dient te nemen. De rechtbank was van oordeel dat de door appellant gehanteerde regeling ter zake van toekenning van de tijdelijke toelage en het doorwerken daarvan in de nieuwe bezoldiging in schaal 7 (slechts) bij het behalen van het generalistencertificaat binnen een jaar, niet voldoende bekend was gemaakt. Nu betrokkenes inschaling ten gevolge van dit niet kenbare beleid twee periodieken lager ligt dan die van collega’s, die wel binnen het jaar waarin de toelage was toegekend het certificaat hebben behaald en deze lagere inschaling nog jarenlang doorwerkt, was de rechtbank van oordeel dat appellant niet in redelijkheid de indeling in schaal 7, salarisnummer 3 heeft kunnen handhaven. Tevens heeft de rechtbank bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht.


2. De bevoegdheid.


2.1. Appellant heeft op 21 april 2005 per brief kenbaar gemaakt dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen en dat hij dit in verband daarmee alsnog bekrachtigt en voor zijn rekening neemt.


2.2. De Raad is met appellant van oordeel dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen. Derhalve komt dit voor voor vernietiging in aanmerking en dient ook de aangevallen uitspraak te worden vernietigd.


2.3. Aangezien appellant het bestreden besluit heeft bekrachtigd en voor zijn rekening genomen zal de Raad bezien of de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen worden gelaten.


3. De inschaling van betrokkene in salarisschaal 7, salarisnummer 3.


3.1. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Bbp wordt bij indeling van de ambtenaar in een schaal met een hoger maximumsalaris, met inachtneming van artikel 11 van het Bbp, het salaris van de ambtenaar in de nieuwe schaal vastgesteld op het bedrag gelegen onmiddellijk boven het salaris dat de ambtenaar in de oude schaal heeft genoten dan wel zou hebben genoten. Dit lijdt uitzondering indien de uit zodanige vaststelling voortvloeiende salarisverhoging minder zou bedragen dan een periodieke verhoging in de oude salarisschaal. In dat geval wordt het salaris vastgesteld op het naasthogere bedrag in de nieuwe salarisschaal.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het salaris in bijzondere gevallen op een hoger bedrag kan worden vastgesteld in de voor de ambtenaar geldende salarisschaal.


3.2. De onder punt 1.1. beschreven wijze van inschaling, voor zover inhoudend dat bij de bevordering tot generalist mede rekening wordt gehouden met de toelage die de ambtenaar onmiddellijk daaraan voorafgaand ontvangt wegens het feitelijk verrichten van de aan de functie van generalist verbonden werkzaamheden, vormt een uitzondering op de in artikel 10, eerste lid, van het Bbp neergelegde hoofdregel.


3.3. Appellant heeft betrokkene bij haar bevordering per 15 juli 2002 overeenkomstig de hoofdregel van artikel 10, eerste lid van het Bbp in salarisschaal 7 ingeschaald op het naast hogere bedrag ten opzichte van het laatstgenoten - tussen 16 juni 2002 en 15 juli 2002 - salaris in schaal 6, zonder rekening te houden met de tot 16 juni 2002 genoten toelage. Betrokkene acht dit laatste onjuist en maakt alsnog aanspraak op inbouw van de toelage in haar nieuwe salaris.


3.4. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat betrokkene niet heeft voldaan aan de in het beleid geformuleerde voorwaarden om voor inbouw van de toelage in haar salaris in aanmerking te komen. Niet in geschil is immers dat betrokkene het certificaat generalist niet binnen de daarvoor gestelde termijn van een jaar heeft behaald.


3.5. De stelling van betrokkene dat zij de inhoud van het beleid niet kon kennen omdat appellant daaraan niet op deugdelijke wijze bekendheid heeft gegeven, treft geen doel. In de publicatie van de Nieuwsbrief arbeidsvoorwaarden is een onmiskenbare koppeling gelegd tussen het gedurende een jaar vervullen van de werkzaamheden als generalist, het aan het einde van die periode beschikken over het certificaat generalist en het alsdan in aanmerking komen voor bevordering en inbouw van de toelage. Betrokkene heeft hieruit redelijkerwijs kunnen en moeten begrijpen dat inbouw slechts zou plaatsvinden indien zij het certificaat binnen een jaar na aanvang van de proefplaatsing zou behalen. Dat appellant niet uitdrukkelijk heeft aangegeven dat bij overschrijding van deze termijn de toelage niet zou worden ingebouwd, maakt dit niet anders. Dit volgt immers reeds uit het feit dat in dat geval niet aan de voorwaarden van het begunstigende beleid is voldaan, zodat op de hoofdregel van artikel 10, eerste lid, van het Bbp moet worden teruggevallen.


3.6. Voor zover betrokkene staande wil houden dat zij van de publicatie van het beleid geen kennis heeft kunnen nemen, wijst de Raad erop dat de toelage bij het besluit van 30 augustus 2001 uitdrukkelijk is toegekend voor het tijdvak van 16 juni 2001 tot 16 juni 2002. Derhalve was de toelage reeds geëindigd toen betrokkene op 15 juli 2002 haar certificaat generalist behaalde en daarmee alsnog aan de vereisten voor bevordering ging voldoen. Ook om die reden kon en moest betrokkene begrijpen dat er ten tijde van haar bevordering geen aanleiding meer bestond om de toelage in het salaris in te bouwen.


3.7. Betrokkene heeft geen (bijzondere) feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan appellant te haren gunste van het beleid had moeten afwijken. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft betrokkene om haar moverende redenen

- ziekte van een collega - het praktijkexamen gepland aan het eind van het jaar waarvoor haar de toelage is toegekend en waarbinnen zij het certificaat moest behalen. Bij het maken van een afspraak voor de sporttoets werd zij met een wachtlijst geconfronteerd, met als gevolg dat zij die toets niet meer binnen het jaar heeft kunnen afleggen. Nu betrokkene de afspraak voor de toets in de vakantieperiode heeft gemaakt en niet is gebleken dat zij daartoe niet eerder in de gelegenheid was, dient dit voor haar risico te komen. Dit klemt te meer nu betrokkene reeds binnen ruim een maand na het maken van die afspraak haar examen heeft kunnen afleggen. Appellant heeft in dit verband ter zitting naar voren gebracht dat twee keer per maand gelegenheid wordt geboden om de sporttoets af te leggen, hetgeen onweersproken is gebleven. Gelet op de aard en omvang van de organisatie waarin betrokkene werkzaam is en de periode waarin betrokkene de afspraak voor de sporttoets heeft gemaakt, kan niet worden geoordeeld dat appellant betrokkene onvoldoende faciliteiten heeft geboden om het certificaat binnen de gestelde termijn van een jaar te behalen.


3.8. Uit het vorenstaande volgt dat appellant betrokkene op goede gronden conform de hoofdregel van artikel 10, eerste lid, van het Bbp heeft ingeschaald. De wijze waarop dit is geschied, is verder niet in geschil. Dit brengt mee dat de Raad, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het besluit van 5 april 2004 geheel in stand zal laten.


3.9. Omdat het vorenoverwogene leidt tot een in niet onbelangrijke mate andersluidend dictum dan in de aangevallen uitspraak is verwoord geeft de Raad er, mede uit een oogpunt van duidelijkheid, de voorkeur aan de aangevallen uitspraak in haar geheel te vernietigen, behoudens wat betreft de bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten.


4. Nu de aangevallen uitspraak wordt vernietigd en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten, is er voor een nieuw besluit op bezwaar geen plaats meer. Daarmee komt de grondslag aan het nieuwe besluit van 18 mei 2006 te ontvallen, zodat ook dit besluit dient te worden vernietigd.


5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover het betreft de bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht;

Verklaart het beroep van betrokkene gegrond;

Vernietigt het besluit van 5 april 2004;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Vernietigt het besluit van 18 mei 2006;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-- te betalen door de politieregio Amsterdam-Amstelland;

Bepaalt dat van genoemde politieregio in hoger beroep een griffierecht wordt geheven van € 422,--.


Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 december 2006.






(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.





(get.) O.C. Boute.




HD

11.12.2006