Centrale Raad van Beroep, 13-12-2006 / 06-1315 WW


ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5427

Inhoudsindicatie
Korting op WW-uitkering. Onvoldoende sollicitatie-activiteit?
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-12-13
Publicatiedatum
2007-01-04
Zaaknummer
06-1315 WW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

06/1315 WW


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 13 januari 2006, 05/523 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 13 december 2006.


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A. Reitsma, werkzaam bij Hout- en Bouwbond CNV, hoger beroep ingesteld.


Bij brief van 22 maart 2006 heeft mr. H.B.Th. Koekkoek, werkzaam bij Hout- en Bouwbond CNV, de Raad de nadere gronden doen toekomen en de Raad bericht dat hij de behandeling van de zaak heeft overgenomen.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


De behandeling van het geding is aan de orde gesteld ter zitting van 1 november 2006. Partijen zijn niet verschenen.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.


2. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.


2.1. Appellant, geboren [in] 1955, is op 22 maart 2004 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 21 december 2004 als metselaar/voorman in dienst getreden bij de [naam werkgever] te [vestigingsplaats]. De arbeidsovereen-komst is, in verband met onvoldoende werk, niet verlengd. Op 22 december 2004 heeft appellant een WW-uitkering aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft appellant aangegeven dat hij in februari of maart weer terug kan komen bij zijn oude werkgever.


2.2. Bij besluit van 31 december 2004 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat er een onderzoek is ingesteld naar zijn sollicitatieactiviteiten en dat uit de verkregen gegevens is gebleken dat hij geen sollicitaties heeft verricht vanaf het moment dat hij wist dat hij werkloos werd. De op het aanvraagformulier vermelde sollicitatie is verricht op de eerste dag van werkloosheid. Appellant wordt geacht werkloos te zijn en te blijven doordat hij in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen. Hierdoor bedraagt de uitkering vanaf 21 december 2004 gedurende 16 weken 50% in plaats van 70% van het dagloon. Hierbij is overwogen dat van appellant verlangd had mogen worden dat hij geprobeerd had aansluitend ander werk te vinden. Het was niet aannemelijk dat appellant een verlenging zou krijgen gelet op het feit dat hij gedurende de wintermaanden jaar in jaar uit werkloos is geweest. Het bezwaar van appellant tegen het opleggen van de maatregel is bij het thans bestreden besluit van 23 maart 2005 ongegrond verklaard.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.


4. De Raad overweegt het volgende.


4.1. In dit geding is de vraag aan de orde of de rechtbank moet worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en hij overweegt daartoe als volgt.


4.2. In het door het Uwv in de bijlage van het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW neergelegde beleid ter zake van de uit de WW voortvloeiende plicht van werknemers om sollicitatieactiviteiten te ondernemen is onder het kopje “Sollicitatieplicht werknemers voorafgaande aan recht op uitkering” bij het derde gedachtenstreepje gesteld: “Van de werknemer die een toezegging of de verwachting heeft om op korte termijn bij dezelfde of een andere werkgever het werk te hervatten (bijv. een seizoener), wordt verwacht dat hij zich minstens één maand voor het intreden van zijn werkloosheid inschrijft bij één of meerdere uitzendbureaus. Van hem wordt verlangd dat hij actief op zoek gaat naar opvularbeid van allerlei aard.” De Raad acht dit onderdeel van het beleid van het Uwv niet in strijd met een juiste uitleg van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW.


4.3. In lijn met zijn uitspraken van 25 januari 2006, LJN AV1632 en LJN AV1635, is de Raad van oordeel dat bij de beantwoording van de vraag of appellant werkloos is geworden doordat hij in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW, mag worden uitgegaan van de vooronderstelling dat het verrichten van voldoende sollicitatieactiviteiten in beginsel de kans doet toenemen dat arbeid wordt verkregen en dat daarmee het werkloosheidsrisico wordt verkleind. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant gehouden was vóór 21 december 2004 sollicitatieactiviteiten te verrichten. Appellant had een tijdelijk contract dat per 21 december 2004 van rechtswege zou aflopen en is voorheen in de wintermaanden jaar in jaar uit werkloos geweest. Gelet hierop had appellant vóór 21 december 2004 redelijkerwijs kunnen voorzien dat hij werkloos zou worden. Vast staat dat appellant voorafgaand aan zijn werkloosheid geen enkele sollicitatie heeft verricht.


4.4. Vervolgens is de vraag aan de orde of het Uwv aannemelijk dient te maken dat voor appellant wel passende arbeid voorhanden was, bijvoorbeeld door aan te tonen dat er wel vacatures voorhanden waren, dan wel dat appellant anderszins aan de hem opgelegde verplichting om voldoende sollicitatieactiviteiten te verrichten had kunnen voldoen. Onder verwijzing naar zijn eerder vermelde uitspraken is de Raad van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet aan de voor hem geldende sollicitatieverplichting heeft kunnen voldoen om de reden dat er geen vacatures voorhanden waren. De Raad kent betekenis toe aan de omstandigheid dat ook in de winterperiode werk voorhanden is in de bouw, zij het in mindere mate dan in de andere periode van het jaar. De stelling dat tegen de winter het werk voor metselaars sterk terugloopt en in de weken rond Kerst en Oud en Nieuw bijna alle metselbedrijven zijn gesloten acht de Raad onvoldoende om aan te nemen dat er voor appellant geen mogelijkheid bestond om in die periode te voldoen aan de op hem rustende verplichting. Appellant heeft voorafgaande aan het einde van zijn dienstbetrekking geen enkele sollicitatie verricht en geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zich in te schrijven bij een of meer uitzend- of detacheringbureaus. Gelet hierop acht de Raad door appellant niet aannemelijk gemaakt dat er voor hem geen passende arbeid voorhanden was en rustte er derhalve op het Uwv geen verplichting om nader onderzoek te doen naar de zich ten tijde van belang voordoende vacatures in voor appellant passende arbeid.


5. De Raad is derhalve met de rechtbank van oordeel dat appellant terecht wordt verweten de op hem rustende verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW, niet te zijn nagekomen. In hetgeen appellant verder in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen grond om anders te oordelen. De Raad heeft in de omstandigheden van het geval geen reden gezien om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen.


6. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.


7. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 december 2006.


(get.) M.A. Hoogeveen.



(get.) M.D.F. de Moor.