Centrale Raad van Beroep, 27-12-2006 / 06-617 WW


ECLI:NL:CRVB:2006:AZ6091

Inhoudsindicatie
Kan de rechtbank worden gevolgd in haar oordeel dat het Uwv bij het bestreden besluit terecht appellant verdere uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de WW heeft onthouden?
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-12-27
Publicatiedatum
2007-01-15
Zaaknummer
06-617 WW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2007/50
Uitspraak

06/617 WW



Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 december 2005, 05/2508 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).




Datum uitspraak: 27 december 2006.



I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M.K. Bhadai, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.


2.1. Appellant is op 14 augustus 2000 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) Seharo Personeel B.V. (hierna: werkgever). De werkgever is op 20 november 2002 failliet verklaard. De curator heeft het personeel op 26 november 2002 ontslagen en dit ten aanzien van appellant bevestigd bij brief van 11 februari 2003. In februari 2003 heeft appellant het Uwv verzocht om met toepassing van Hoofdstuk IV van de WW achterstallige betalingsverplichtingen van de werkgever over te nemen. Appellant heeft daarbij aangegeven dat hij vanaf 1 augustus 2002 loon tegoed heeft. Op het aanvraagformulier heeft appellant ook vermeld dat 30 augustus 2002 zijn laatste werkdag is geweest en dat hij na die datum niet heeft gesolliciteerd omdat hij uitlandig was.


2.2. Het Uwv heeft het achterstallig loon over de periode van 21 augustus 2002 tot en met 31 augustus 2002 overgenomen. Daarbij is, uitgaande van de faillissementsdatum,

21 augustus 2002 vastgesteld als de eerste dag van de 13-weken termijn als bedoeld in artikel 64, aanhef en onder a, van de WW, en 31 augustus 2002 als laatste dag dat appellant aanspraak had op loon respectievelijk beschikbaar was voor werk, nu hij naar eigen opgave nadien in het buitenland verbleef. Dat standpunt is neergelegd in de besluiten van 15 april 2003 en 16 oktober 2003 en is gehandhaafd bij het op bezwaar tegen die besluiten gegeven besluit van 6 januari 2005 (het bestreden besluit).


3.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.2. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij wel in Nederland was.


4.1. In hoger beroep is de vraag aan de orde of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat het Uwv bij het bestreden besluit terecht appellant verdere uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de WW heeft onthouden. Daartoe heeft de Raad het volgende overwogen.


4.2. Blijkens de gedingstukken beperkt het geschil zich tot het recht op uitkering over de periode van 30 augustus 2002 tot 28 november 2002. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant aan de vermelding op het aanvraagformulier die erop neerkomt dat hij vanaf 30 augustus 2002 in het buitenland was, mocht worden gehouden en dat appellant daartegenover geenszins overtuigend heeft aangetoond dat hij wel in Nederland was. Ook in hoger beroep heeft appellant niets toegevoegd dat de Raad tot een ander oordeel heeft kunnen brengen.


4.3. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld vloeit echter uit dat gegeven niet voort dat appellant geen recht heeft op overneming van achterstallige betalingsverplichtingen op de grond dat hij niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW. Ingevolge artikel 68, tweede lid, van de WW zijn de niet in het eerste lid genoemde bepalingen van de WW ‘voor zoveel nodig’ van overeenkomstige toepassing. Onverkorte toepassing van artikel 16 van de WW zou, zoals namens het Uwv terecht is opgemerkt, er zelfs toe leiden dat achterstallig loon niet voor overneming in aanmerking komt, omdat niet voldaan is aan de (andere) voorwaarde van verlies (van arbeidsuren en) van het recht op loon over die uren.


4.4. De constatering dat appellant vanaf 30 augustus 2002 in het buitenland was, leidt gelet op de gedingstukken, tot de conclusie dat appellant niet bereid is gebleven de bedongen arbeid voor de werkgever te verrichten althans zijn diensten niet aan de werkgever heeft aangeboden, zodat hij jegens de werkgever geen aanspraak kan maken op doorbetaling van zijn loon. Het Uwv heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellant na 30 augustus 2002 geen recht heeft op loon en derhalve ook niet op uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de WW.


4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat aan appellant bij het bestreden besluit op goede grond verdere uitkering op grond van Hoofdstuk IV is ontzegd en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, kan worden bevestigd.


5.2. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H. Bolt en

C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 december 2006.


(get.) M.A. Hoogeveen.


(get.) M.R.S. Bacon.


LK

19/12