Centrale Raad van Beroep, 15-02-2008 / 06-1759 WAO


ECLI:NL:CRVB:2008:BC4773

Inhoudsindicatie
Toekenning WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Zenuwbeknelling in de rugwervel is ontstaan na datum in geding. De geschiktheid voor de functies zijn voldoende door de arbeidsdeskundige toegelicht.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-02-15
Publicatiedatum
2008-02-21
Zaaknummer
06-1759 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

06/1759 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant],


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 februari 2006, 05/4436 (hierna: de aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).


Datum uitspraak: 15 februari 2008


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en gereageerd op de door appellant in het geding gebrachte inlichtingen van de hem behandelende neuroloog.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2008. Namens appellant is verschenen mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders.


II. OVERWEGINGEN


Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 27 mei 2005. Daarbij is gehandhaafd het besluit van 13 september 2004 tot de toekenning met ingang van 27 september 2004 van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.


De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.


De Raad gaat uit van de juistheid van de, door partijen niet betwiste, vaststelling van de feiten in de aangevallen uitspraak. Samengevat komen deze er op neer dat appellant op 29 september 2003 zijn werk als uitzendkracht (postsorteerder) wegens psychische klachten, maagklachten en beenklachten heeft gestaakt. Voor zijn eigen werk is appellant niet langer geschikt. Zijn gezondheid staat volgens het Uwv echter niet in de weg aan het verrichten van gangbare arbeid waarvan de belasting blijft binnen de grenzen van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Hierdoor ontstaat een loonverlies van ruim 30%.


Appellant heeft herhaald dat de voor hem geldende, uit ziekte of gebrek voortvloeiende arbeidsbeperkingen in de FML zijn onderschat. De Raad verenigt zicht met de verwerping van deze beroepsgrond door de rechtbank. Weliswaar heeft de appellant behandelende psychiater aangegeven dat appellant wegens een forse (angst-)depresssie niet tot enig werk in staat is, maar deze overigens niet onderbouwde inschatting van de ernst van de psychische klachten van appellant, vindt geen steun in het oriënterend psychisch onderzoek door de door het Uwv ingeschakelde arts en wordt weersproken in de bevindingen van de door appellant in Turkije geraadpleegde arts.


Uit de in hoger beroep overgelegde informatie van de appellant behandelende neuroloog blijkt dat inmiddels in de rugwervel een zenuwbeknelling bestaat.

De bezwaarverzekeringsarts heeft overtuigend aangegeven dat deze problematiek ruimschoots na de hier van belang zijnde datum is ontstaan. De enkele omstandigheid dat appellant reeds langer beenklachten heeft geuit, doet hieraan naar het oordeel van de Raad niet af. De uitstralende pijnklachten waar de behandelende neuroloog melding van maakt, zijn ruimschoots een jaar na de in geding zijnde datum ontstaan.


Anders dan appellant acht de Raad, met de rechtbank, de geschiktheid voor de functies voldoende door de arbeidsdeskundige toegelicht.


Ook als wordt uitgegaan van de door appellant bepleite (langere) arbeidsweek van 29,5 uur leidt dat niet tot indeling in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse. Daarom zal de Raad deze beroepsgrond onbesproken laten.


Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2008.


(get.) D.J. van der Vos.



(get.) W.R. de Vries.



JL