Centrale Raad van Beroep, 06-06-2008 / 06/492 WAZ + 06/4356 WAZ


ECLI:NL:CRVB:2008:BD4308

Inhoudsindicatie
Weigering WAZ-uitkering toe te kennen. Juiste medische beperkingen in acht genomen?
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-06-06
Publicatiedatum
2008-06-19
Zaaknummer
06/492 WAZ + 06/4356 WAZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

06/492 WAZ

06/4356 WAZ


Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K






op het hoger beroep van:


[appellant] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 december 2005, 05/83 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).



Datum uitspraak: 6 juni 2008


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.M.C. van Gorkum, advocaat te Schijndel, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2008.


Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Gorkum. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.F. Bergman.



II. OVERWEGINGEN


1. Bij besluit van 27 mei 2004 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, omdat appellant na afloop van de in dit geval geldende wachttijd op 4 september 2003 minder dan 25% arbeidsongeschikt was.


2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

9 december 2004, waarbij het Uwv de bezwaren gericht tegen het besluit van 27 mei 2004 ongegrond heeft verklaard, gegrond verklaard. De rechtbank heeft bepaald dat het Uwv een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat het Uwv het griffierecht aan appellant vergoedt.


2.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de medische beperkingen van appellant niet zijn onderschat en heeft het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen niet onzorgvuldig geoordeeld. Zij heeft daarbij meegewogen dat van de kant van appellant geen objectief medische onderbouwing is gegeven voor zijn stelling dat hij psychisch ernstiger beperkt is dan waar het Uwv van uit is gegaan.


2.3. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (o.a. LJN: AR4716) heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidskundige onderbouwing van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling onvoldoende is, om welke reden zij het besluit van

9 december 2004 niet in stand heeft gelaten.


3. Het Uwv heeft bij besluit van 24 juli 2006 opnieuw op het bezwaar beslist. Daarbij zijn de bezwaren wederom ongegrond verklaard en is de mate van arbeidsongeschiktheid ingaande 4 september 2003 wederom op minder dan 25% gesteld.

4.1. Aangezien dit laatste besluit, dat ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is genomen, niet geheel aan het beroep van appellant tegemoet komt, wordt met artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 24 juli 2006 (hierna: het bestreden besluit).


5. Met betrekking tot het bestreden besluit - dat op dezelfde medische grondslag rust als het door de rechtbank beoordeelde besluit van 9 december 2004 - oordeelt de Raad als volgt.


5.1. Zoals de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad heeft bevestigd, staan slechts de medische beperkingen van appellant, zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) ter discussie. De (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv hebben ten onrechte geen bloedonderzoek laten uitvoeren en ten onrechte hebben zij appellant niet psychisch beperkt geacht, aldus appellant.


5.2. Uit de rapporten van 20 oktober 2003 van de verzekeringsarts i.o. T.C.M. de Witte maakt de Raad niet op dat deze arts een bloedonderzoek noodzakelijk heeft geacht.

Deze arts heeft een ‘eventueel aanvullend’ bloedonderzoek slechts ‘welkom’ geoordeeld.

Voor de Raad staat mede in het licht hiervan niet vast dat de uitkomsten van een dergelijk onderzoek in dit geval, gegeven de gewrichtsklachten, van invloed zouden kunnen zijn op de vaststelling van de medische beperkingen van appellant. Hooguit zou een dergelijk onderzoek informatie kunnen geven over de oorzaken van die klachten.


5.3. In het medisch onderzoeksverslag van 20 oktober 2003 wordt door De Witte vermeld dat appellant zich op dat moment in een prima geestelijke conditie bevond. Appellant was op dat moment met het gebruik van Oxazepam gestopt. Weliswaar heeft orthopeed K.W.B.F. Scheepstra in zijn rapport van 19 maart 2004 vermeld dat appellant 17 jaar daarvoor opgenomen is geweest in een gesloten psychiatrische inrichting, maar deze arts heeft ook vermeld dat appellant heeft aangegeven dat het nu goed gaat, sinds acht jaar. Ook de opmerking in het medisch onderzoeksverslag van 27 april 2004 van

De Witte dat appellant recentelijk weer problemen (met derden) heeft gehad, leidt er naar het oordeel van de Raad niet toe dat ten tijde hier in geding ten aanzien van appellant een psychische beperking moet worden aangenomen. Van de kant van appellant zijn voorts geen medische gegevens overgelegd die wijzen op het bestaan van een dergelijke beperking.


5.4. Gelet op het voorgaande moet het beroep gericht tegen het bestreden besluit ongegrond worden geoordeeld.


6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gericht tegen het besluit op bezwaar van 24 juli 2006 ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2008.


(get.) J.W. Schuttel.



(get.) M. Lochs.



RB