Centrale Raad van Beroep, 04-07-2008 / 06-4613 WAZ


ECLI:NL:CRVB:2008:BD7170

Inhoudsindicatie
Weigering WAZ-uitkering toe te kennen. Juistheid vaststelling eerste arbeidsongeschiktheidsdag, urenomvang van de maatmanfunctie en medische grondslag? In hoger beroep toereikende motivering medische geschiktheid functies?
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-07-04
Publicatiedatum
2008-07-15
Zaaknummer
06-4613 WAZ
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

06/4613 WAZ


Centrale Raad van Beroep



Enkelvoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[Appellant] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 26 juni 2006, 05/2729 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 4 juli 2008


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A. van den Os, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2008. Zoals tevoren was bericht zijn appellant, noch zijn gemachtigde daar verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Bij besluit van 5 april 2005 heeft het Uwv geweigerd aan appellant na afloop van de voor hem geldende wachttijd, met ingang van 6 december 2004 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen.

Dit besluit berust op het standpunt dat appellant op 6 december 2004, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor hem geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit dat minder is dan 25%.


1.2. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 27 september 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat zij zich kan verenigen met de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 8 december 2003, nu vaststaat dat appellant zich op die datum ziek heeft gemeld bij zijn particuliere verzekeraar, deze datum voorts overeenkomt met de eerste opgave van appellant en appellant zijn standpunt dat hij eerder dan die datum ziek is geworden niet met medische gegevens heeft onderbouwd. Ook ten aanzien van het aantal uren dat appellant in zijn maatmanfunctie werkzaam was heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht heeft vastgehouden aan de eerste opgave van appellant op het aanvraagformulier. De later door appellant ingenomen stelling dat het aantal uren minder is geweest heeft hij niet onderbouwd. Voorts heeft de rechtbank geconcludeerd dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd. De rechtbank heeft de functies barbediende, buffetbediende en medewerker horeca met de sbc-codes 111080 en 111060 niet geschikt geacht voor appellant omdat daarbij een overschrijding ten aanzien van het tillen voorkomt. Dit heeft echter geen gevolgen voor de mate van arbeidsongeschiktheid omdat er voldoende functies resteren om de schatting op te baseren en het mediaanloon hierdoor niet wijzigt. Volgens de rechtbank voldoet appellant aan de opleidingseisen die voor de functies zijn gesteld.


3. Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Op grond van het volgende beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend.


3.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, de urenomvang van de maatmanfunctie en de medische grondslag van het bestreden besluit. Ook onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat appellant over het vereiste opleidingsniveau voor het vervullen van de functies beschikt. De Raad stelt zich achter de hierover door de rechtbank gegeven overwegingen.


3.2. Ten aanzien van de medische geschiktheid van de functies overweegt de Raad het volgende. Het Uwv heeft met een begeleidende brief van 18 januari 2007 een rapport ingezonden van de bezwaararbeidsdeskundige A.P.M. Kleijne van 10 januari 2007. In dit rapport wordt, naar aanleiding van de uitspraken van deze Raad van 12 oktober 2006 met betrekking tot het aangepaste CBBS (onder andere LJN: AY9971), een nadere toelichting gegeven bij de onderdelen van de belasting in de functies die zijn gemarkeerd met een “G”. Hiermee is naar het oordeel van de Raad in hoger beroep alsnog voldaan aan de in die uitspraken neergelegde eis dat alle signaleringen van een toelichting dienen te worden voorzien. Voor de Raad is genoegzaam komen vast te staan dat de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies in overeenstemming zijn met de voor appellant geldende belastbaarheid. Dit betreft de drie functies met de hoogste lonen: machinaal metaalbehandelaar (sbc-code 264121), parkeercontroleur (sbc-code 342022) en wasserijmedewerker (sbc-code 272020). De Raad neemt hierbij in aanmerking dat weliswaar bij één van de twee voorgehouden functies wasserijmedewerker, de functie met twee arbeidsplaatsen, een overschrijding van de normaalwaarde voorkomt bij het aspect staan, namelijk twee uur achtereen staan in plaats van de normaalwaarde van ongeveer één uur staan, maar dat het eventueel vervallen van die functie geen gevolgen heeft. In de andere functie wasserijmedewerker, met drie arbeidsplaatsen, is het staan tijdens acht werkuren beperkt tot vijf maal ongeveer tien minuten achtereen.


3.3. De Raad stelt vast dat het bestreden besluit in het licht van zijn onder 3.2. vermelde uitspraken niet geheel voldeed aan de eis dat het berust op een deugdelijke motivering zoals aangegeven in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat dit besluit eerst met het in hoger beroep ingezonden rapport van de bezwaararbeidsdeskundige alsnog van een toereikende motivering is voorzien. Dit leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel in stand kunnen worden gelaten.


4. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 37,- in beroep en € 105,- in hoger beroep, in totaal € 142,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2008.



(get.) C.W.J. Schoor.



(get.) A. Wit.


JL