Centrale Raad van Beroep, 03-07-2008 / 07/1707 AW + 07/3309 AW


ECLI:NL:CRVB:2008:BD7215

Inhoudsindicatie
Procesbelang. Proceskosten. Schade door onrechtmatig besluitvormingsproces. Limitatief en forfaitair systeem van vergoeding van kosten van rechtsbijstand. Art. 14 EG-verdrag. Bijzondere omstandigheden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-07-03
Publicatiedatum
2008-07-15
Zaaknummer
07/1707 AW + 07/3309 AW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/1707 AW + 07/3309 AW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 8 februari 2007, 06/3385 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente 2] (hierna: college)


Datum uitspraak: 3 juli 2008


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 6 maart 2007 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2008. Appellant is in persoon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat te ’s-Hertogenbosch.


II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant was werkzaam als beleidsmedewerker/senior jurist bij de gemeente [naam gemeente 1], thans gemeente [naam gemeente 2]. Op verzoek van appellant is met ingang van 1 februari 1997 zijn voltijdsaanstelling omgezet in een aanstelling voor 24 uren per week en is hem toestemming verleend tot het naast zijn aanstelling mogen blijven voeren van zijn rechtskundige adviespraktijk. Op enig moment is het appellant toegestaan om acht (van de 24) uren per week thuis te werken.


1.2. Toen appellant zich op 3 februari 2006 bij de gemeentesecretaris beklaagde over de aansturing door zijn leidinggevende, heeft de gemeentesecretaris met onmiddellijke ingang de toestemming om acht uren per week thuis te mogen werken (hierna: toestemming) ingetrokken.


1.3. Het college heeft bij brief van 7 maart 2006 naar aanleiding van het door appellant ingediende bezwaarschrift tegen de intrekking van de toestemming de ingangsdatum hiervan nader bepaald op 1 maand na de datering van die brief en is daarna akkoord gegaan met het voorstel van appellant om tijdens de bezwarenprocedure drie uren per week thuis te werken. Bij besluit van 17 mei 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, met dien verstande dat het college heeft bepaald dat de in de bezwarenfase tot stand gekomen regeling in stand wordt gelaten tot 1 september 2006. Het verzoek om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase heeft het college afgewezen.


1.4. Bij besluit van 15 augustus 2006 heeft het college appellant op eigen verzoek met ingang van 1 september 2006 eervol ontslag verleend.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, uitsluitend voor zover dat beroep was gericht tegen de afwijzing van het verzoek tot vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten, het bestreden besluit in zoverre vernietigd, het beroep voor het overige niet-ontvankelijk verklaard en de gemeente [naam gemeente 2] opgedragen het door appellant betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank is tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gekomen omdat appellant geen begin van bewijs heeft geleverd van zijn stelling dat hij tengevolge van de besluitvorming schade heeft geleden.


2.1. In het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 6 maart 2007 heeft het college € 644,- aan appellant toegekend voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase.


3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen door partijen in hoger beroep is aangevoerd het volgende.


3.1. Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank dat hij geen proces-belang meer zou hebben, bestreden. Volgens appellant heeft zijn rechtskundig advies-bureau (omzet)schade geleden en is zijn goede naam aangetast. Hij heeft er daarom belang bij dat de onrechtmatigheid van de beslissing op bezwaar van 17 mei 2006 in beroep wordt vastgesteld. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak niet is ingegaan op zijn verzoek tot volledige vergoeding van proceskosten. De rechtbank had dienen na te gaan of er aanleiding bestond om toepassing te geven aan artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb).


3.2. De Raad stelt vast dat uit de stukken naar voren komt dat appellant uiteindelijk geen bezwaar meer heeft tegen het bestreden besluit van 17 mei 2006, nu in dat besluit de toestemming om thuis te mogen werken is ingetrokken met inachtneming van een ook in appellants ogen redelijke overgangstermijn tot l september 2006, de datum waarop appellant verwachtte de bedrijfsvoering van zijn adviesbureau aan de nieuwe situatie te hebben kunnen aanpassen. Daarvan uitgaande heeft de rechtbank dan ook terecht onderzocht of nog procesbelang aanwezig was bij de beoordeling van het bestreden besluit, temeer nu appellant in augustus 2006 om ontslag had verzocht per l september 2006 en dit ontslag hem ook is verleend.


3.3. Met betrekking tot de stelling van appellant dat hem ten onrechte procesbelang is ontzegd omdat hij schade heeft geleden door het onrechtmatige besluitvormingsproces, wijst de Raad erop dat slechts het besluit van 17 mei 2006 voorwerp is van het beroep bij de rechtbank.

Gezien hetgeen hiervóór onder 3.1 is overwogen over het besluit van 17 mei 2006, is de door appellant gestelde schade evident niet het gevolg van dit besluit. Voor zover appellant bedoelt dat de gestelde schade het gevolg is van de rauwelijkse intrekking van de toestemming bij het primaire besluit, waarbij geen behoorlijke overgangstermijn in acht is genomen, wijst de Raad erop dat de rechtbank die handelwijze als onzorgvuldig heeft gekwalificeerd en heeft vastgesteld dat de ingangsdatum van de intrekking van de toestemming bij het bestreden besluit van 17 mei 2006 wegens aan gedaagde te wijten onrechtmatigheid is herroepen, in welk oordeel het college heeft berust. Nu in het onderhavige geding echter alleen het besluit van 17 mei 2006 ter beoordeling van de rechtbank stond, welk besluit appellant op zichzelf niet onrechtmatig acht, en nu dat besluit geen beslissing inhoudt op een verzoek om schadevergoeding, kan daarin evenwel geen procesbelang meer gelegen zijn. De rechtbank heeft dan ook terecht het beroep van appellant in zoverre niet-ontvankelijk verklaard.

Overigens staat het appellant vrij aan het college te verzoeken om vergoeding van de schade die naar zijn mening het gevolg is van de onrechtmatige intrekking van de toestemming in februari en maart 2006.


4. De Raad stelt vast dat het geding in hoger beroep zich op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede uitstrekt tot het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak gegeven besluit van 6 maart 2007.


4.1. Appellant is van mening dat de kosten van zijn raadsman in de bezwarenprocedure door de houding van de gemeentesecretaris en het college onnodig hoog zijn opgelopen. Om die reden had het college volgens appellant toepassing moeten geven aan artikel 2, derde lid, van het Bpb en de totale kosten van rechtsbijstand (die naar zijn opgave beduidend hoger zijn dan het bedrag van € 644,-) moeten vergoeden.


4.2. De Awb en het Bpb kennen een forfaitair systeem van vergoeding van kosten van rechtsbijstand. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de kosten van rechtsbijstand worden vergoed op basis van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb, in samenhang met de bijlage bij dit besluit. Ingevolge artikel 2, derde lid, van het Bpb kan in bijzondere gevallen van dit forfaitaire systeem worden afgeweken. Blijkens de Nota van Toelichting bij deze bepaling (Stb. 1993, 763) gaat het om uitzonderlijke gevallen waarbij strikte toepassing van deze regeling onrechtvaardig uitpakt. Daarom is bepaald dat de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het besluit berekende vergoeding - overigens zonder af te doen aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten - kan verlagen of verhogen. Benadrukt wordt dat het werkelijk om uitzonderingen gaat en als voorbeeld wordt genoemd een geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van feitenmateriaal is gejaagd. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 14 februari 2002, LJN AE6292 en AB 2003,224) dwingt ook artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet tot een proceskostenveroordeling die boven de in artikel 8:75 van de Awb neergelegde en ter uitvoering daarvan gegeven voorschriften uitgaat.


4.3. De omstandigheden die appellant aanvoert kan de Raad niet als bijzondere omstandigheden aanmerken die tot afwijking van de limitatieve en forfaitaire tarieven zouden moeten leiden. De Raad neemt daarbij vooral in aanmerking dat van een welbewust traineren van het besluitvormingsproces door het college geen sprake is geweest.


4.4. Het beroep tegen het besluit van 6 maart 2007 slaagt niet.


5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 6 maart 2007 ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.G. Treffers en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2008.


(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.


(get.) P.W.J. Hospel.


HD


Q