Centrale Raad van Beroep, 08-07-2008 / 06-5920 WAO


ECLI:NL:CRVB:2008:BD7408

Inhoudsindicatie
Intrekking WAO-uitkering. Medische beoordeling zorgvuldig? Onderzoek door verzekeringsarts in opleiding. Gebrek in bezwaarfase hersteld?
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-07-08
Publicatiedatum
2008-07-17
Zaaknummer
06-5920 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

06/5920 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 6 september 2006, 06/1117 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 8 juli 2008


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. L.J.M. van Westerlaak, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Westerlaak. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.M. Ponsioen.


II. OVERWEGINGEN


1. Appellante is op 8 juni 1999 met gewrichtsklachten uitgevallen voor haar werk als tandartsassistente. Aan haar is met ingang van 7 juni 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


2. Bij besluit van 21 april 2005 heeft het Uwv - na arbeidskundig onderzoek, alsmede na verzekeringsgeneeskundig onderzoek door de arts A.R.I.S. Timmer - de uitkering van appellante met ingang van 21 juni 2005 ingetrokken, onder de overweging dat haar mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% is.


3. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Na onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv heeft het Uwv bij besluit van 28 december 2005 dit bezwaar ongegrond verklaard.


4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 december 2005, hierna: het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich - kort weergegeven - kunnen verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit en heeft naar aanleiding van een desbetreffende grief van appellante voorts overwogen dat het feit dat het aan de besluitvorming door het Uwv ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige onderzoek heeft plaats gevonden door een verzekeringsarts in opleiding geen strijd oplevert met de artikelen 3 en 4 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.


5. In hoger beroep is door appellante aangevoerd dat het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel had dienen te worden vernietigd, omdat het (primaire) verzekeringsgeneeskundige onderzoek zijdens het Uwv niet is uitgevoerd door een (geregistreerde) verzekeringsarts. Appellante meent dat dit gebrek in de bezwaarfase niet is hersteld, omdat de bezwaarverzekeringsarts appellante niet zelf heeft onderzocht, terwijl daar wel aanleiding toe was vanwege haar moeilijk objectiveerbare klachten in verband met fibromyalgie.


6. De Raad overweegt het volgende.


6.1. De Raad zal zich beperken tot het van de zijde van appellante genoemde punt van geschil, namelijk de wijze waarop het medisch oordeel tot stand is gekomen.


6.2. Zoals volgt uit de uitspraken van de Raad van 18 juli 2007 (LJN: BA9904, BA9908, BA 9909 en BA9910) is de kwaliteit van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvoldoende gewaarborgd indien dit geschiedt door een verzekeringsarts in opleiding. Dit gebrek kan echter in de bezwaarfase worden hersteld indien in die fase een beoordeling plaatsvindt door een wel als zodanig geregistreerd arts. Een lichamelijk onderzoek zal daarbij niet steeds noodzakelijk zijn. Uit de stukken valt af te leiden dat bij appellante sprake is van (pijn)klachten van de spieren en gewrichten alsmede vermoeidheid; de huisarts stelde de diagnose fibromyalgie.


6.3. De Raad stelt vast dat appellante in de primaire fase is onderzocht door de arts Timmer, die niet als verzekeringsarts is geregistreerd, doch in opleiding is. De vraag dient zich derhalve aan of dit gebrek aan het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in de primaire fase in de bezwaarfase is hersteld.


6.4. Timmer heeft appellante gesproken, lichamelijk onderzocht en daarover uitgebreid en inzichtelijk gerapporteerd. In de bezwaarfase beschikte de bezwaarverzekeringsarts over die rapportage, over het journaal van appellantes huisarts en over informatie van de appellante behandelend psycholoog. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts appellante tijdens de hoorzitting in bezwaar gezien en gesproken. Gelet daarop en mede gelet op de aard van de klachten was er voor de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding om appellante nader lichamelijk te onderzoeken. Daaraan kan niet afdoen dat appellante kampt met moeilijk objectiveerbare klachten. Naar blijkt uit de door appellante overgelegde informatie van haar huisarts erkent deze dat de klachten in het keuringsrapport - de Raad begrijpt: het rapport van Timmer in de primaire fase - nauwkeurig zijn omschreven en erkend. Nu de bezwaarverzekeringsarts, die - naar niet wordt betwist - als verzekeringsarts is geregistreerd, (mede) op basis daarvan tot zijn beoordeling is gekomen kan niet worden gezegd dat zijn onderzoek in zoverre onvolledig is geweest. De Raad komt mitsdien tot het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest.


7. De aangevallen uitspraak komt derhalve, zij het op enigszins andere gronden, voor bevestiging in aanmerking.


8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2008.


(get.) T. Hoogenboom.



(get.) R.L. Rijnen.


RB