Centrale Raad van Beroep, 10-07-2008 / 07-401 AW


ECLI:NL:CRVB:2008:BD8524

Inhoudsindicatie
Geen voortzetting tijdelijke dienstverband: niet kan worden staande gehouden dat betrokkene onvoldoende openheid heeft willen verschaffen omtrent de gronden van het (eerdere) strafontslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-07-10
Publicatiedatum
2008-07-24
Zaaknummer
07-401 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2008/339
  • AR-Updates.nl 2008-0479
Uitspraak

07/401 AW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer



U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 december 2006, 05/4751 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: minister)


Datum uitspraak: 10 juli 2008


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


De minister heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2008. Appellant is in persoon verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Dishoeck en [W.], beiden werkzaam bij het Korps landelijke politiediensten (Klpd).


II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant, destijds werkzaam als politieambtenaar bij de politieregio [politieregio], is bij in rechte onaantastbaar geworden besluit van 2 maart 2001 bij wijze van disciplinaire straf ontslag verleend uit zijn functie.


1.2. In een oriënterend gesprek met H, leidinggevende van een nieuw op te zetten unit probleemgerichte inzet (UPI) van de dienst Spoorwegpolitie van het Klpd, heeft appellant zijn kansen verkend om ondanks het eerdere strafontslag bij de politieregio [politieregio] bij de Klpd te worden aangesteld. Vervolgens heeft hij gesolliciteerd naar een functie bij de UPI. Bij besluit van 27 mei 2004 is appellant met ingang van 1 juni 2004 in tijdelijke dienst voor de duur van één jaar aangesteld als politiemedewerker in de rang van hoofdagent bij de UPI.


1.3. Bij besluit van 31 mei 2005 heeft de minister appellant bericht dat het tijdelijke dienstverband niet wordt verlengd. Dat besluit heeft de minister, na door appellant daartegen gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 12 oktober 2005.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.


3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.


3.1. Het besluit van 27 mei 2004 betreft in feite een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef.


3.2. Appellant kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat hem blijkens een e-mail van H van 15 april 2005 een vervolgaanstelling is verleend. De tekst van die e-mail biedt geen steun voor die stelling nu daarin slechts als uitslag van de selectieprocedure voor allrounders wordt vermeld dat onder anderen appellant benoemd gaat worden. Tot een benoemingsbesluit is het echter niet gekomen.


3.3. De toetsing van het besluit tot niet voortzetten van het tijdelijke dienstverband na afloop van de proeftijd is beperkt tot de vraag of, afgezien van mogelijke strijd in andere zin met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, de minister in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat appellant niet aan de door de minister in redelijkheid te stellen eisen of verwachtingen heeft voldaan.


3.4. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant gedurende de proeftijd uitstekend heeft gefunctioneerd. Aan zijn gehandhaafde besluit om het tijdelijke dienstverband niet voort te zetten heeft de minister als zijn standpunt ten grondslag gelegd dat appellant zich niet integer heeft betoond door geen volledige openheid van zaken te geven omtrent de reden van het strafontslag bij de politieregio [politieregio]. Naar de minister heeft gesteld, heeft appellant bij zijn sollicitatie in dit verband slechts gewezen op een verstrengeling van belangen inzake een door hem toentertijd geëxploiteerd taxibedrijf terwijl het strafontslag in werkelijkheid ook op andere, als plichtsverzuim aangemerkte feiten is gebaseerd.


3.5. De Raad stelt vast dat appellant het hem verleende strafontslag voorafgaand aan zijn sollicitatie ter sprake heeft gebracht bij H en dit bovendien heeft vermeld in zijn sollicitatiebrief. Tijdens de selectiegesprekken met appellant heeft deze er blijkens de verklaring van H bovendien melding van gemaakt dat hem in de periode voorafgaand aan zijn ontslag vele verwijten zijn gemaakt, welke hij als “zwartmakerij” bestempelde.

In aansluiting op de selectiegesprekken zijn met zijn instemming bij de politieregio [politieregio] referenties ingewonnen van zowel zijn toenmalige districtschef K als zijn toenmalige unitchef B die destijds beiden waren betrokken bij het verleende straf-ontslag. Appellant heeft verder zonder voorbehoud ingestemd met een door het Bureau Veiligheid & Integriteit van het Klpd te verrichten antecedentenonderzoek. Onder die omstandigheden kan niet worden staande gehouden dat appellant onvoldoende openheid heeft willen verschaffen omtrent de gronden van het strafontslag. Dat de minister om hem moverende redenen heeft afgezien van het opvragen van het ontslagbesluit, valt appellant niet aan te rekenen.


3.6. De Raad acht verder van belang hetgeen referent K, jegens H, omtrent het strafontslag heeft verklaard welke verklaring door referent B is bevestigd en bovendien door K ter zitting van de rechtbank in grote lijnen is herhaald. K heeft jegens H aangegeven dat ten tijde van het ontslag bij de leiding van de politieregio [politieregio] de wens bestond om paal en perk te stellen aan ongewenste uitwassen binnen dat korps. Volgens K werd in voorkomende gevallen ontslag verleend waarbij bewust procesrisico's werden genomen en waarin de juridische houdbaarheid van een ontslagbesluit ondergeschikt was aan de ervan uitgaande signaalwerking. K heeft verklaard dat het ontslag van appellant eerst en vooral was ingegeven door de toenemende verstrengeling van belangen doordat appellant zich naast en tijdens zijn werk als politieambtenaar bezighield met de exploitatie van een taxibedrijf. Volgens K zijn daarnaast nog allerlei minder gewichtige zaken bijeengeraapt teneinde het ontslag van appellant meer body te geven. Van integriteitskwesties omtrent de persoon van appellant was volgens K geen sprake. Deze verklaring in aanmerking nemende, heeft de Raad niet de overtuiging verkregen dat de overige feiten die appellant in het kader van het strafontslag als plichtsverzuim zijn verweten, van zodanige ernst zijn dat appellant zich had moeten realiseren dat, niettegenstaande het kenbaar maken van het ontslag als zodanig, de in te winnen referenties en het antecedentenonderzoek, spontane en uitdrukkelijke vermelding van die feiten niet achterwege mocht blijven.


3.7. Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten.


4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de minister op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,- aan kosten van rechtsbijstand.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Veroordeelt de minister in de kosten van appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep tot een bedrag van € 966,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 349,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R. Kooper en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.A. Reinders als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2008.


(get.) J.Th. Wolleswinkel.


(get.) M.J.A. Reinders.


HD