Centrale Raad van Beroep, 05-08-2008 / 05-4453 WAO


ECLI:NL:CRVB:2008:BD9849

Inhoudsindicatie
Weigering WAO-uitkering. Het Uwv heeft ten onrechte gebruik gemaakt van de bevoegdheid tot het buiten aanmerking laten van bij de aanvang van de verzekering bestaande algehele arbeidsongeschiktheid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-08-05
Publicatiedatum
2008-08-14
Zaaknummer
05-4453 WAO
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

05/4453 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2005, 04/3937 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 5 augustus 2008


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.A.H. Blom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


De Raad heeft de psychiater R. Tonneijck benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Tonneijck heeft op 18 december 2007 aan de Raad verslag uitgebracht van zijn onderzoek, waarop namens het Uwv is gereageerd met een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek van 14 januari 2008.


Bij brief van 20 maart 2008 heeft Tonneijck desgevraagd gereageerd op het rapport van Koek.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2008. Voor appellante is verschenen mr. Blom, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer uitgebreide weergave van de relevante feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met het volgende.


1.2. Appellante was laatstelijk werkzaam als productiemedewerker bloemen, toen zij op 8 oktober 2002 is uitgevallen met psychische klachten.


2. Bij besluit van 22 oktober 2003, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 9 juli 2004 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv geweigerd appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen op grond van de overweging dat appellante op 19 augustus 2002, zijnde de datum van aanvang van de WAO-verzekering, reeds volledig arbeidsongeschikt was. Het Uwv heeft dit besluit, naar de Raad begrijpt, doen berusten op artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, samengevat en voor zover van belang, geoordeeld dat het Uwv gezien de beschikbare medische informatie terecht heeft geconstateerd dat appellante op 19 augustus 2002 reeds volledig arbeidsongeschikt was. Het Uwv mocht derhalve de arbeidsongeschiktheid van appellante gezien het bepaalde in artikel 30, eerste lid, van de WAO geheel buiten aanmerking laten, aldus de rechtbank.


4. Appellante betoogt in hoger beroep primair dat het Uwv ten onrechte ervan is uitgegaan dat 19 augustus 2002 de datum is waarop appellantes verzekering voor de WAO een aanvang heeft genomen. Appellante heeft daarnaast het standpunt herhaald dat zij op 19 augustus 2002 niét en op 8 oktober 2002 wél arbeidsongeschikt was.


5.1. De Raad overweegt als volgt.


5.2. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO is het Uwv bevoegd met betrekking tot uit deze wet voortvloeiende aanspraken geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend, buiten aanmerking te laten algehele arbeidsongeschiktheid, welke bestond op het tijdstip, dat de verzekering een aanvang nam.


5.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 17 mei 2006, LJN: AX4595) is voor de toepassing van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO vereist dat de omstandigheden van het geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties geven voor het bestaan van een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering ingevolge de WAO. Hierbij geldt dat het enkele feit dat voor of bij aanvang van de verzekering klachten of beperkingen bestaan, niet toereikend is voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid.


5.4. De Raad stelt voorop dat de van de zijde van appellante aangedragen gegevens hem niet tot de overtuiging hebben kunnen brengen dat het Uwv ten onrechte is uitgegaan van 19 augustus 2002 als de datum waarop appellantes verzekering voor de WAO een aanvang heeft genomen. Appellantes primaire betoog slaagt dus niet.


5.5. De Raad overweegt voorts als volgt.


5.6. De Raad begrijpt het standpunt van het Uwv aldus dat appellante bij aanvang van de verzekering, op 19 augustus 2002, op medische gronden volledig arbeidsongeschikt was te achten en dat zij geen duurzaam benutbare mogelijkheden ten aanzien van het verrichten van loonvormende arbeid had. Daarbij heeft het Uwv zich onder andere gebaseerd op de rapporten van de verzekeringsarts E.M. Elders van 15 september en 7 oktober 2003 en op de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts Koek van 5 juli en 22 december 2004. Het Uwv heeft zowel per datum van aanvang van appellantes verzekering ingevolge de WAO als per einde van de wachttijd een Functionele Mogelijkheden Lijst opgesteld. Deze lijsten vermelden dat appellante op beide data niet beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden.


5.7. De Raad heeft, zoals in rubriek I is aangegeven, de psychiater Tonneijck verzocht als deskundige hem van verslag en advies te dienen omtrent de gezondheidstoestand van appellante bij aanvang van de verzekering. Aan het door Tonneijck uitgebrachte rapport van 18 december 2007 ontleent de Raad het volgende:


"Uit alle bovengenoemde stukken komt naar voren dat betrokkene een langdurig belaste vrouw was door reeds traumatische ervaringen in Turkije, die zich hebben voortgezet in haar huwelijk in Nederland met een psychiatrisch gestoorde man. Deze resulteert in een ziekmelding op 19-08-2002 wegens klachten van depressieve aard met hypnagoge hallucinaties. Uit de stukken en uit mijn anamnese komt naar voren dat deze een progressief beloop hebben gehad, waardoor nu bij psychiatrisch onderzoek vooral een sterk regressief geagiteerd beeld naar voren komt met grote inactiviteit. Ik kan mij geen duidelijk oordeel vormen over de psychiatrische stoornis. Het beeld komt nog het meeste overeen wat ook reeds Hoogeveen, psycholoog in zijn onderzoek stelde met het ouderwetse begrip hyperesthetisch hyperemotioneel syndroom. Het is evident dat in de huidige gefixeerde toestand er sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid. De vraag die mij gesteld wordt is of betrokkene voor genoemde datum, te weten 19-08-2002 tengevolge van ziekte of gebrek tot geen enkele inkomensvormende arbeid in staat was. Zeker is dat gesteld kan worden dat voor genoemde datum er ook reeds klachten aanwezig hebben moeten zijn. Immers een dergelijk beeld ontwikkelt zich niet in een periode van een paar weken, maar heeft een langere aanloop vanwege de toenemende belastende psychologische factoren die betrokkene reeds lange tijd onderging. Uit anamnese en onderzoeken en uit de stukken is echter niet duidelijk hoe ernstig deze klachten waren, omdat er geen informatie over is en omdat betrokkene zowel als de dochter hierover geen relevante informatie kan geven. (…)

Vanuit hetero-anamnestische informatie van dochter die stelde dat betrokkene reeds meteen in dezelfde toestand verkeerde als ten tijde van mijn onderzoek kan gesteld worden dat betrokkene mogelijk vanaf augustus 2002 volledig arbeidsongeschikt was. De enige objectieve informatie die hierover bestaat is een brief van de crisisdienst GGZ-Buitenamstel d.d. 12-11-2002 stuk 2.1 en 2 waarin naar voren komt dat betrokkene zich meldde vanwege het last hebben van nachtmerries met een hoog werkelijkheidsgehalte en toenemende last van benauwdheid en de neiging zich wat terug te trekken. Uit de brief lijkt mogelijk sprake te zijn van een depressief beeld zonder dat duidelijk gesproken wordt over een psychiatrische stoornis. Wel stelde het UWV in de persoon van mevrouw Koek, bezwaarverzekeringsarts, het niet aannemelijk en geloofwaardig was dat betrokkene gezien de beschreven al jaren bestaande aanwezigheid van een ernstig gestoorde echtgenoot in geen enkel opzicht psychische klachten heeft ontwikkeld voordat de echtscheiding is uitgesproken doch deze pas ontwikkelt enkele weken na de scheiding. Er is al jaren overbelasting, er wordt een persoonsverandering door de psychiater beschreven. Dat dit gepaard zou gaan zonder medische klachten is niet aannemelijk. Overbelasting, chronische intoxicatiesyndroom en persoonsveranderingen ontstaan niet in een tijdsbestek van enkele weken. Aannemelijk is dan volgens de bezwaarverzekeringsarts dat betrokkene reeds bij aanvang van de verzekering lijdende was aan overbelasting chronische intoxicatie en een persoonsverandering. Hoewel ik het zeker eens ben met bovengenoemde constateringen van de bezwaarverzekeringsarts kan ik daaruit niet concluderen dat betrokkene volledig arbeidsongeschikt was bij aanvang verzekering. Er zijn onvoldoende gegevens, zowel van haar als van derden beschikbaar om duidelijkheid te krijgen in welke mate zij eventueel voor aanvang verzekering arbeidsgeschikt zou zijn geweest. Ik kan dan ook niet meer dan constateren dat voor aanvang verzekering er zeker psychische klachten geweest zouden zijn, echter dat deze niet in mate en getal te objectiveren zijn."


5.8. In ’s Raads constante jurisprudentie ligt besloten dat het oordeel van een door de bestuursrechter ingeschakelde onafhankelijke deskundige wordt gevolgd, tenzij er sprake is van omstandigheden die aanleiding geven tot het maken van een uitzondering op deze regel. Naar het oordeel van de Raad doen zodanige omstandigheden zich in dit geval niet voor. Het onderzoek van Tonneijck is naar het oordeel van de Raad zorgvuldig, volledig en genoegzaam onderbouwd. Tonneijck, die als onafhankelijke en onpartijdige psychiater bij uitstek de specifieke deskundigheid bezit om beperkingen op het psychische vlak te onderkennen, heeft zijn oordeel bovendien gebaseerd op een door hem afgenomen anamnese, eigen onderzoek van appellante en op de in het dossier aanwezige stukken, waaronder informatie van de behandelend sector. De Raad merkt in dit verband nog op dat hem geen uit de betrokken periode daterende objectieve medische stukken ter beschikking staan die genoegzame aanknopingspunten bieden om de juistheid van de door psychiater Tonneijck getrokken conclusies in twijfel te trekken.


5.9. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het Uwv ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de bij artikel 30, eerste lid, onder a, van de WAO toegekende bevoegdheid tot het buiten aanmerking laten van bij de aanvang van de verzekering bestaande algehele arbeidsongeschiktheid. Dit alles voert tot de slotsom dat het bestreden besluit, evenals de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komen.


6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,--.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep van in totaal € 140,-- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H.G. Rottier en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2008.


(get.) H. Bolt


(get.) I.R.A. van Raaij


CB