Centrale Raad van Beroep, 30-06-2008 / 08-2023 WW-VV


ECLI:NL:CRVB:2008:BD9993

Inhoudsindicatie
Het door verzoeker ingestelde hoger beroep heeft een schorsende werking van de uitspraak. Het Uwv was niet gehouden uitvoering te geven aan de opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar. Afwijzing voorlopige voorziening.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-06-30
Publicatiedatum
2008-08-14
Zaaknummer
08-2023 WW-VV
Procedure
Voorlopige voorziening



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/2023 WW-VV


Centrale Raad van Beroep


Voorzieningenrechter


U I T S P R A A K


inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet van:



[Naam verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),


in verband met het hoger beroep van:


verzoeker



tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 28 augustus 2007, 06/1400 en 06/1450 (hierna: aangevallen uitspraak),


in de gedingen tussen:


verzoeker


en


1)de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) en



2) het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht (hierna: werkgever).



Datum uitspraak: 30 juni 2008


I. PROCESVERLOOP


Namens verzoeker heeft G.H. Groeneveld, juridisch adviseur te Maassluis, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.


Gemachtigde voornoemd heeft namens verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven.


II. OVERWEGINGEN


1. Bij besluit van 8 maart 2006 is aan verzoeker een WW-uitkering toegekend onder toepassing van een maatregel inhoudende een korting op de WW-uitkering van 35 % gedurende 26 weken. Daartegen hebben verzoeker en de werkgever van verzoeker bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 oktober 2006 heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 28 augustus 2007 - voor zover hier van belang - het beroep tegen het besluit van 20 oktober 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld.


3. Verzoeker heeft wegens het uitblijven van een nieuw besluit op bezwaar de rechtbank bij brief van 8 februari 2008 verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening uitspraak te doen en het Uwv op te dragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft bij brief van 29 februari 2008 het verzoek om voorlopige voorziening aan de Raad doorgezonden. Op 11 april 2008 heeft het Uwv desgevraagd aan de Raad meegedeeld dat nog geen nieuw besluit op bezwaar is genomen.


4. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.


4.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit waartegen hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen, dat vereist.


4.2. Verzoeker heeft daartoe aangevoerd dat de termijn voor het nemen van een nieuw besluit op bezwaar ruimschoots is verstreken en heeft de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening het Uwv op te dragen om op korte termijn een besluit op bezwaar te nemen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. Het Uwv heeft er met nadruk op gewezen dat met het hoger beroep van verzoeker de werking van de uitspraak van de rechtbank van 28 augustus 2007 op grond van artikel 19, Bijlage C en onder 4, van de Beroepswet is geschorst.


4.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het Uwv terecht heeft gesteld dat het door verzoeker ingestelde hoger beroep ingevolge artikel 19, Bijlage C en onder 4, van de Beroepswet schorsende werking heeft. Gelet hierop was het Uwv niet gehouden om met inachtneming van artikel 7:10 van de Awb uitvoering te geven aan de in de aangevallen uitspraak gegeven opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar.


4.4. Het vorenstaande leidt ertoe dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen onder toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb dient te worden afgewezen.


5. Voor een proceskostenveroordeling op grond van 8:75 van de Awb acht de voorzieningenrechter geen termen aanwezig.


III. BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.


Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.H. Peper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2008.


(get.) M.A. Hoogeveen.


(get.) S.H. Peper.


JvS