Centrale Raad van Beroep, 21-08-2008 / 07-3381 WWB


ECLI:NL:CRVB:2008:BE9125

Inhoudsindicatie
Bijzondere bijstand. Deelbeslissing.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-08-21
Publicatiedatum
2008-08-26
Zaaknummer
07-3381 WWB
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2008, 272
  • RSV 2008/319 met annotatie van H. van Deutekom
  • ABkort 2008/375
  • USZ 2008/306
  • JB 2008/242
Uitspraak

07/3381 WWB


Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[Appellant] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 mei 2007, 06/3807 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)


Datum uitspraak: 21 augustus 2008


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J. Wolfert-Brouwer, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft mr. H.A.T. Vijftigschild, advocaat te Rotterdam, zich als gemachtigde van appellant gesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2008. Voor appellant is verschenen mr. M.J. Husen, advocaat te Rotterdam. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant ontvangt sedert 1 november 1979 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Hij heeft op 20 januari 2006 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van een koelbox, voor de eigen bijdrage van hem verleende rechtsbijstand, voor dieetkosten en voor de kosten van een telefoonabonnement. De adviserend geneeskundige F. Groenendijk heeft aan het College advies uitgebracht in verband met deze aanvraag.


1.2. Onder dagtekening 13 april 2006 heeft het College appellant kennis gegeven van zijn besluit de aanvraag met betrekking tot de kosten van de koelbox en het telefoonabonnement af te wijzen op de grond dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. Met betrekking tot de dieetkosten is bijzondere bijstand verleend tot een bedrag van € 110,94. Met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand is bijzondere bijstand verleend tot een bedrag van € 90,--.


1.3. Bij brief van 2 mei 2006 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van de kosten voor de koelbox, de afwijzing voor de kosten van een telefoonabonnement en tegen de hoogte van het bedrag toegekend voor de kosten van rechtsbijstand.


1.4. Bij besluit van 31 augustus 2006 heeft het College de kosten van rechtsbijstand alsnog volledig vergoed en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.


1.5. Bij brief van 18 september 2006 heeft appellant beroep ingesteld tegen de door het College gehandhaafde besluiten met betrekking tot de kosten van de koelbox en van een telefoonabonnement en tegen de hoogte van het bedrag toegekend voor dieetkosten.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep voor zover gericht tegen de hoogte van de dieetkosten niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - voor zover hier van belang - kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Deze bepaling moet, gezien de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 2003-2004, 29 421, nr. 3, blz. 5 e.v., en nr. 11), aldus worden uitgelegd dat een belanghebbende slechts beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waartegen hij bezwaar heeft gemaakt, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten tegen een onderdeel geen bezwaar te hebben gemaakt.


4.2. De Raad merkt eerst op dat het primaire besluit van 13 april 2006 vier te onderscheiden deelbesluiten bevat, die ieder zelfstandig voorwerp van bezwaar, beroep en hoger beroep kunnen zijn. Hij volgt de gemachtigde van appellant niet in zijn opvatting dat het hier om één ondeelbaar besluit gaat. Appellant heeft in zijn bezwaarschrift van 2 mei 2006 tegen drie van de vier deelbesluiten bezwaren geformuleerd. Hij heeft geen (aanvullend) bezwaarschrift ingediend tegen de hoogte van het voor dieetkosten toegekende bedrag. De Raad stelt daarom met de rechtbank vast dat ten aanzien van de hoogte van de bijzondere bijstand voor dieetkosten geen bezwaar is gemaakt. De omstandigheid dat appellant tijdens het horen op 17 augustus 2006 heeft meegedeeld dat de verstrekkingsperiode en de hoogte van de dieetkosten voor hem niet duidelijk zijn, maakt dit niet anders. Appellant, die in zijn bezwaarschrift precies heeft omschreven wat zijn bezwaren tegen drie van de vier deelbesluiten zijn, had die onduidelijkheid schriftelijk aan het College kenbaar kunnen maken en om verduidelijking kunnen vragen. Nu hij dit heeft nagelaten en voor het eerst in beroep bij de rechtbank heeft aangegeven het niet eens te zijn met de hoogte van het voor dieetkosten toegekende bedrag, is, gelet op artikel 6:13 van de Awb, het beroep aangaande de hoogte van de vergoeding voor dieetkosten terecht niet-ontvankelijk verklaard.


4.3. Ter zake van de kosten van de koelbox en van een telefoonabonnement stelt de Raad zich achter het standpunt van het College dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand. Het gaat hier immers om incidenteel (wat betreft de koelbox) of (bij telefoonaansluiting maandelijks) voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, welke kosten appellant in beginsel uit zijn inkomen (ten tijde hier van belang door het College berekend op € 1.115,30 per maand) dient te voldoen. Voor verlening van bijzondere bijstand in die kosten is daarom in beginsel geen plaats. Hetgeen namens appellant op dit punt is aangevoerd, rechtvaardigt naar het oordeel van de Raad niet om een uitzondering op deze regel aan te nemen. Het College was dan ook niet bevoegd voor de zojuist besproken kosten bijzondere bijstand te verlenen.


4.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


4.5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.J.A. Kooijman

en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J. Bernhagen

als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2008.



(get.) G.A.J. van den Hurk.



(get.) M.J. Bernhagen.



IJ