Centrale Raad van Beroep, 02-09-2008 / 07-3093 WWB + 07-3094 WWB


ECLI:NL:CRVB:2008:BF0926

Inhoudsindicatie
Onvoldoende duidelijkheid over financiële situatie waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Voldoende motivering?
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-09-02
Publicatiedatum
2008-09-18
Zaaknummer
07-3093 WWB + 07-3094 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/3093 WWB

07/3094 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Naam appellant], appellant, en [Naam appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats],


tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 17 april 2007, 06/1760 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellanten


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond (hierna: College)


Datum uitspraak: 2 september 2008


I. PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft mr. A.H.M. Pepers, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 22 juli 2008, waar partijen niet zijn verschenen.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Bij besluit van 6 juni 2006 heeft het College de aanvraag van appellanten van 1 maart 2006 om algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen.


1.2. Bij besluit van 19 september 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 6 juni 2006 ongegrond verklaard op de grond dat appellanten onvoldoende duidelijkheid over hun financiële situatie hebben gegeven waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Hierbij gaat het volgens het College om onduidelijkheden over de aard van de werkzaamheden en de verdiensten daaruit in de periode voorafgaande aan de aanvraag en om de discrepantie tussen inkomsten en uitgaven na 1 maart 2006 die niet afdoende is verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 september 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. De Raad stelt voorop dat de beoordelingsperiode loopt van 1 maart 2006 tot en met 6 juni 2006, zijnde de datum met ingang waarvan om bijstand is gevraagd tot en met de datum van het primaire besluit.


4.2. Met betrekking tot de gevraagde inlichtingen over de periode voorafgaand aan de aanvraag overweegt de Raad dat op grond van artikel 11, eerste lid, van de WWB (tekst tot 11 oktober 2006) iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege. Volgens vaste rechtspraak, zie onder meer de uitspraak van de Raad van 30 juni 2008, LJN BD5825, is het voor de beoordeling van het recht op bijstand als regel noodzakelijk om inzicht te verkrijgen in de financiële situatie in de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode. Aangezien appellanten voorafgaande aan de bijstandsaanvraag geen recht op bijstand hadden, was het antwoord op de vraag waarvan zij in de periode tot aan de aanvraag van 1 maart 2006 hebben geleefd van belang voor de beantwoording van de vraag of zij op en na laatst vermelde datum in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden.


4.3. De Raad is - anders dan de rechtbank - van oordeel dat appellanten over de periode voorafgaande aan 1 maart 2006 wel voldoende inlichtingen hebben verstrekt. Niet in geschil is dat appellanten over inkomsten beschikten uit kinderbijslag, huurtoeslag, zorgtoeslag, voorlopige teruggave belastingen en een door een verzekeringsmaatschappij wegens waterschade uitgekeerd bedrag. Voorts hebben appellanten een lening bij [A.] van € 1.000,-- voldoende aannemelijk gemaakt, hetgeen voor een belangrijk deel ook de gestorte bedragen op de eigen rekening verklaart.

Met betrekking tot de verlangde inlichtingen van appellant over zijn werkzaamheden in het buitenland overweegt de Raad het volgende. Appellant heeft toegelicht dat hij in opdracht van de heer [A.] vanuit [plaatsnaam] te [naam land 1], waar [A.] verbleef, levensmiddelen heeft verkocht aan markthandelaren in [naam land 2]. In februari 2006 is appellant naar Nederland teruggekeerd, nadat de arbeidsrelatie met [A.] in januari 2006 wegens verstoorde verhoudingen was geëindigd. Appellant heeft gesteld niet over schriftelijke bewijzen betreffende die arbeidsrelatie en salarisbetalingen te beschikken. Hij heeft deze niet van [A.] ontvangen en hij kan [A.] ook niet bereiken om hier alsnog om te vragen. Naar het oordeel van de Raad kan het ontbreken van schriftelijke bewijsstukken appellanten niet worden tegengeworpen. Van belang acht de Raad in dit verband dat het hier gaat om markthandel voor een in [naam land 1] gevestigde opdrachtgever en dat het, gelet op de door appellanten verstrekte, niet ongeloofwaardige toelichting, niet aannemelijk is dat appellanten redelijkerwijs alsnog over schriftelijke bewijsstukken hadden kunnen beschikken, mede omdat de feitelijke werkzaamheden ten dele plaatsvonden in [naam land 2], een land dat permanent in oorlogstoestand verkeert, waardoor een goed administratief verkeer wordt gefrustreerd. Verder acht de Raad van belang dat appellanten tot 1 juni 2005 op bijstand waren aangewezen, beëindiging van de bijstand per 1 juni 2005 plaatsvond vanwege werkzaamheden van appellant voor [A.], er geen aanwijzingen zijn dat de werkzaamheden op 1 maart 2006 niet zouden zijn geëindigd of dat sprake is van andere werkzaamheden, alsmede dat er evenmin aanwijzingen zijn dat de verdiensten van appellant tot vermogensvorming hebben geleid.


4.4. Met betrekking tot de periode vanaf 1 maart 2006 oordeelt de Raad als volgt. Het College gaat er vanuit dat appellanten over meer middelen beschikten dan zij hebben vermeld omdat uit een onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 6 juni 2006, zou blijken dat de uitgaven hoger zijn dan de inkomsten. De Raad deelt dit standpunt niet. De Raad overweegt hierbij dat de berekening van het College bij het vermeende financiële gat tussen de inkomsten en uitgaven op onjuiste gegevens is gebaseerd. Zo heeft het College ten onrechte rekening gehouden met een ziektekostenpremie ten behoeve van appellante terwijl zij niet verzekerd was. Voorts heeft het College vastgehouden aan een bedrag van € 850,-- aan boodschappen en benzine terwijl appellanten gemotiveerd hebben gesteld dat zij dit bedrag maandelijks niet beschikbaar hadden en de Raad ook niet is gebleken dat appellanten ter zake € 850,-- per maand uitgaven. Verder heeft het College onvoldoende rekening gehouden met ten tijde van het onderzoek reeds ontstane achterstanden in betalingen. Tot slot heeft het College in de bezwaarprocedure een oplopend saldo op de afschriften van de rekening bij de Rabobank van na het primaire besluit bij de besluitvorming op bezwaar betrokken terwijl deze afschriften geen betrekking hebben op de periode hier in geding. Gelet op het voorgaande bestaat er naar het oordeel van de Raad dan ook geen aanleiding er vanuit te gaan dat appellanten na 1 maart 2006 over andere middelen beschikten dan zij hebben opgegeven.


4.3. Uit hetgeen onder 4.3 en 4.4 is overwogen volgt dat het besluit van 19 september 2006 ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellanten tegen het besluit van

19 september 2006 gegrond verklaren, dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen en het College opdragen een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 6 juni 2006 te nemen. Voorts dient het College een besluit te nemen op de verzoeken om de in bezwaar gemaakte kosten en renteschade te vergoeden.


5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 19 september 2006;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente Roermond;

Bepaalt dat de gemeente Roermond aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 144,-- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en G.A.J. van den Hurk en J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 september 2008.


(get.) Th.C. van Sloten.


(get.) W. Altenaar.


OA