Centrale Raad van Beroep, 17-09-2008 / 06-7332 WAO


ECLI:NL:CRVB:2008:BF3249

Inhoudsindicatie
Intrekking WAO-uitkering. Juiste medische grondslag? Wijziging t.a.v. persoonlijk risico, wegens bijwerkingen medicijnen. Therapie noodzakelijk? Signaleringen bij de functies pas na de totstandkoming van het bestreden besluit toegelicht. Proceskostenvergoeding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-09-17
Publicatiedatum
2008-09-30
Zaaknummer
06-7332 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

06/7332 WAO


Centrale Raad van Beroep



Enkelvoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 november 2006, 06/1990 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 17 september 2008


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M. Koot, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Nadien heeft het Uwv rapportages ingediend van bezwaarverzekeringsarts A. Mirza van 5 maart 2007 en van bezwaararbeidsdeskundige A.G. Diergaarde van 12 maart 2007.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2008. Appellant is verschenen bij gemachtigde, mr. Koot voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.W.G. Deteman.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als medewerker postsorteercentrum, heeft zich op

25 februari 1998 ziek gemeld in verband met psychische klachten. Op dat moment was appellant werkloos en ontving hij een uitkering krachtens de Werkloosheidswet. In aansluiting op de daarvoor geldende wachttijd ontving appellant vanaf 24 februari 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellant op 1 juni 2005 op het spreekuur van de verzekeringsarts V. Steenmeijer verschenen. De arts heeft appellant onderzocht en in zijn rapport van 1 juni 2005 geconcludeerd dat appellants beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren niet essentieel gewijzigd zijn ten opzichte van de vorige verzekeringsgeneeskundige beoordeling, verricht op 15 juni 2004. Daarbij heeft Steenmeijer het rapport van psychiater G.M.G.I. Ramaekers van de HSK Groep van

29 april 2004 betrokken, dat was opgesteld op verzoek van het Uwv in het kader van de vorige verzekeringsgeneeskundige beoordeling op 16 maart 2004. Steenmeijer heeft de beperkingen van appellant in de rubrieken Persoonlijk en Sociaal Functioneren vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 4 juli 2005. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens met inachtneming van de FML een aantal functies geselecteerd waarmee appellant een zodanig inkomen kan verwerven dat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Overeenkomstig deze bevindingen heeft het Uwv bij besluit van 7 september 2005 de uitkering van appellant ingevolge de WAO per 3 november 2005 ingetrokken.


1.3. In bezwaar heeft appellant gesteld dat zijn gezondheid niet is veranderd ten opzichte van de WAO-beoordeling in 2004, waarbij hij voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellant heeft daarbij gewezen op zijn problemen met concentreren, vergeetachtigheid en depressiviteit.


1.4. Bezwaarverzekeringsarts Mirza, die de hoorzitting heeft bijgewoond waar appellant zijn bezwaren heeft toegelicht, is tot de conclusie gekomen dat de belastbaarheid van appellant in de FML van 4 juli 2005 correct is weergegeven. Bij het besluit van 31 maart 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om de door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde medische onderzoeken onzorgvuldig te achten en de daarop gebaseerde conclusies voor onjuist te houden. De rechtbank heeft zich tevens kunnen vinden in de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit, waarbij zij heeft overwogen dat in de rapporten van 19 augustus 2005, 20 juni 2006 en 10 juli 2006 afdoende is gemotiveerd dat de signaleringen bij de geselecteerde functies geen overschrijdingen van de belastbaarheid opleveren.


3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank de intrekking van de uitkering ten onrechte niet onzorgvuldig heeft geacht omdat hij de voor hem noodzakelijke therapie nog niet heeft gevolgd. Appellant heeft daarbij gewezen op het rapport van psychiater Ramaekers van de HSK groep van 29 april 2004, waarin appellant is geadviseerd cognitieve gedragstherapie te volgen om zijn re-integratie te kunnen bewerkstelligen. Appellant acht het verder onzorgvuldig dat de verzekeringsarts geen beperkingen vanwege zijn lichamelijke klachten en vanwege zijn medicatiegebruik heeft vastgesteld.


4.1. Gelet op de inhoud van het hoger beroep gaat het in dit geding om de beantwoording van de vraag of de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van

3 november 2005 terecht is vastgesteld op minder dan 15%.


4.2. Naar aanleiding van de grief dat appellant last heeft van bijwerkingen van zijn medicatiegebruik, waarmee in de FML geen rekening is gehouden, heeft de bezwaarverzekeringsarts tijdens het hoger beroep gerapporteerd dat de FML dient te worden aangepast op het aspect 1.9.9 (persoonlijk risico). Deze wijziging is neergelegd in de FML van 5 maart 2007. Ter zitting is door de gemachtigde van appellant meegedeeld dat zij hierover geen opmerkingen meer heeft. Deze grief van appellant behoeft daarom geen verdere bespreking.


4.3. De Raad heeft geen aanleiding gezien om met betrekking tot de (wijze van totstandkoming van de) medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Ten aanzien van de grief dat de intrekking van de uitkering onzorgvuldig is omdat appellant de noodzakelijke cognitieve gedragstherapie nog niet heeft gevolgd, overweegt de Raad als volgt. Blijkens het rapport van psychiater Ramaekers van 29 april 2004 zijn bij de onderzoeken van appellant op 1 en 13 april 2004 de diagnoses sociale fobie en obsessieve compulsieve stoornis vastgesteld en is appellant geadviseerd een cognitieve gedragstherapie te volgen teneinde zijn re-integratie te bewerkstelligen. Uit het rapport van verzekeringsarts Steenmeijer van 1 juni 2005 blijkt dat hij dit advies bij zijn onderzoek heeft betrokken, maar dat hij daarin geen belemmering ziet om appellant geschikt te achten voor gangbare arbeid waarin met de vastgestelde psychische beperkingen rekening wordt gehouden. De Raad kan zich hierin vinden. Uit het rapport van psychiater Ramaekers blijkt niet dat het volgen van cognitieve gedragstherapie een (medisch) noodzakelijke voorwaarde is voor appellant om gangbare arbeid te verrichten. Ook is appellant ter zake geen h et Uwv bindende toezegging gedaan. Uit het rapport van de verzekeringsarts blijkt voorts dat er tussen het advies van Ramaekers en het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 1 juni 2005 ruim één jaar is verstreken en dat appellant zelf er van heeft afgezien om een cognitieve gedragstherapie te volgen. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat de verzekeringsarts bij zijn onderzoek het advies van psychiater Ramaekers voldoende heeft meegewogen.


4.4. Ten aanzien van de lichamelijke klachten is door de verzekeringsarts vastgesteld dat hiervoor geen onderliggend en voldoende verklarend ziektebeeld aanwezig is. De Raad acht de FML derhalve ook op dit punt voldoende gemotiveerd.


4.5. Appellant heeft zijn grieven tegen de medische grondslag niet onderbouwd met nieuwe of andere medische argumenten of gegevens. De Raad ziet daarom in het hoger beroep geen aanknopingspunten om de totstandkoming van de medische grondslag van het bestreden besluit of de juistheid daarvan in twijfel te trekken.


4.6. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het Uwv de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in de (bezwaar)arbeidskundige rapporten van 2 september 2005, 20 juni 2006 en 10 juli 2006 in voldoende mate heeft gemotiveerd. In hoger beroep heeft bezwaararbeidsdeskundige Diergaarde op 12 maart 2007 gerapporteerd dat de wijziging van de FML op het item persoonlijk risico (1.9.9) geen gevolgen heeft voor de geselecteerde functies. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat pas ná de totstandkoming van het bestreden besluit, met het rapport van bezwaararbeidsdeskundige C.G. Litjens van 20 juni 2006, alle signaleringen bij de functies voldoende zijn toegelicht, waardoor het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Dit brengt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak (deels) voor vernietiging in aanmerking komt en dat het bestreden besluit vanwege onvoldoende motivering dient te worden vernietigd. De rechtsgevolgen van dit besluit kunnen echter naar het oordeel van de Raad, gelet op het vorenstaande, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand worden gelaten.


5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant, die voor verleende rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep worden begroot op € 644,- in beroep en € 644,- in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;Bepaalt dat Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 143,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008.



(get.) J. Riphagen.



(get.) W.R. de Vries.


JL