Centrale Raad van Beroep, 17-09-2008 / 06-5909 WAO + 08-2606 WAO


ECLI:NL:CRVB:2008:BF3254

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering. Nader besluit ivm maximering omvang aantal uren maatman. Juiste vaststelling medische beperkingen? Proceskostenveroordeling.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-09-17
Publicatiedatum
2008-09-30
Zaaknummer
06-5909 WAO + 08-2606 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

06/5909 WAO en 08/2606 WAO


Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 september 2006, 06/470

(hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 17 september 2008


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. W. Hoebba, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij brief van 28 april 2008 een nieuwe beslissing op bezwaar van 28 april 2008 ingezonden.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellant was werkzaam als schoonmaker voor 59,48 uren per week. Met ingang van 3 juli 2000 is hij uitgevallen voor zijn werk vanwege psychische klachten. Met ingang van 2 juli 2001 is hem door het Uwv een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.2. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek heeft het Uwv bij besluit van 4 februari 2005 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant herzien en met ingang van 4 april 2005 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Blijkens het aan dat besluit ten grondslag liggende rapport van de arbeidsdeskundige van 3 februari 2005 is het Uwv bij die vaststelling uitgegaan van een gemaximeerd aantal maatmanuren van 38 uren per week.


1.3. Bij besluit van 28 december 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 4 februari 2005 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven en beslissingen gegeven omtrent de vergoeding aan appellant van griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts onderschreven Functionele Mogelijkhedenlijst. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien om aan te nemen dat het onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Voor de stelling van appellant dat hij sterker beperkt is dan de verzekeringsarts heeft aangenomen, is geen steun te vinden in enig medisch stuk. Daarbij heeft de rechtbank er op gewezen dat eiser zich weliswaar heeft beroepen op een rapportage van een behandelend psycholoog, maar dat hij deze rapportage ondanks verzoek daartoe niet heeft kunnen produceren. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geconcludeerd dat er drie functies resteren met voldoende arbeidsplaatsen om de schatting op te kunnen baseren. Gezien de vooropleiding van appellant moet er van worden uitgegaan dat appellant voldoet aan de gestelde opleidingseisen van de functies. Gelet op het loon dat appellant in de als passend te achten functies zou kunnen verdienen, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank de mate van arbeidsongeschiktheid terecht vastgesteld op 45 tot 55%. Omdat het bestreden besluit pas in beroep van een op alle punten deugdelijke motivering is voorzien, heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd, doch aanleiding gezien om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven.


3. Appellant heeft in hoger beroep volhard in zijn bij de rechtbank aangevoerde stellingen.


4. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 2 maart 2007, LJN: AZ9652, inzake de maximering van het aantal maatmanuren, heeft het Uwv het in rubriek I genoemde besluit van 28 april 2008 genomen. Bij dat besluit is beslist dat uitgaande van de vaststelling van de maatman op 59,48 uren per week de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de WAO met ingang van 4 april 2005 vastgesteld dient te worden op 65 tot 80%.


5.1. De Raad overweegt als volgt.


5.2. Aangezien het hiervoor weergegeven besluit van 28 april 2008 aan het beroep niet geheel tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit. Met het besluit van 28 april 2008 heeft het Uwv ook zelf te kennen gegeven het bestreden besluit niet langer te kunnen handhaven. De aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand zijn gelaten, komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.


5.3. De Raad stelt vast dat de stellingen van appellant in hoger beroep zich keren tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Die stellingen vormen in wezen een herhaling van hetgeen appellant reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd en komen er op neer dat ten aanzien van hem meer beperkingen zouden moeten worden aangenomen, dat hij niet voldoet aan de opleidingseisen en dat ook de resterende drie functies, waarop de schatting is gebaseerd, niet voor hem geschikt zijn. Aangezien de Raad met de rechtbank van oordeel is dat er geen reden is te twijfelen aan de juistheid van de ten aanzien van appellant vastgestelde belastbaarheid, zijn opleidingsniveau of de geschiktheid van de drie resterende, hem voorgehouden functies, en aangezien de conclusies van de rechtbank naar het oordeel van de Raad zijn voorzien van een juiste onderbouwing, volstaat de Raad er mee te verwijzen naar hetgeen de rechtbank in dit verband heeft vastgesteld en overwogen. De Raad merkt daarbij nog op dat appellant ook in hoger beroep heeft nagelaten zijn (medische) stellingen te doen ondersteunen met enig, van (behandelend) artsen afkomstig, medisch gegeven.


5.4. Vergelijking van het voor appellant geldende maatmaninkomen met het loon dat hij nog kan verdienen met de drie resterende, voor hem als passend te achten functies resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.


5.5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd zoals in rubriek III is aangegeven en dat het hoger beroep slechts in zoverre slaagt. Het beroep tegen het besluit van 28 april 2008 dient ongegrond te worden verklaard.


6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand zijn gelaten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 28 april 2008 ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en

H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008.



(get.) J. Riphagen,



(get.) M. Lochs.

JL