Centrale Raad van Beroep, 09-10-2008 / 07-2781 AW


ECLI:NL:CRVB:2008:BG1056

Inhoudsindicatie
Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer. Het ontbreken van nadere regels heeft als gevolg dat artikel 13 van de Rpb zinledig is en dat de tekst van artikel 11 van het Bvdp (weer) bepalend is voor de aanspraak op vergoeding van de reiskosten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-10-09
Publicatiedatum
2008-10-22
Zaaknummer
07-2781 AW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2009/62
Uitspraak

07/2781 AW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 11 april 2007, 06/2177 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Korpsbeheerder van de politieregio Noord- en Oost-Gelderland (hierna: korpsbeheerder)


Datum uitspraak: 9 oktober 2008


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door A. Nijboer, werkzaam bij de politievakorganisatie ACP. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Niks, werkzaam bij de politieregio Noord- en Oost-Gelderland.


II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant was tot 1 januari 2006 werkzaam als [functie] bij de politieregio Noord- en Oost-Gelderland, met als plaats van tewerkstelling [plaatsnaam].

Bij besluit van 9 januari 2006 is appellant met toepassing van artikel 64 van het Besluit algemene rechtpositie politie (hierna: Barp) met ingang van 1 januari 2006 tewerkgesteld als medewerker [functie] van deze politieregio met als plaats van tewerkstelling [plaatsnaam 2]. Daarbij is appellants maandelijkse reiskostenver-goeding voor het woon- en werkverkeer vastgesteld op € 130,-. Deze toekenning van de reiskosten is gebaseerd op artikel 8.3 van de Aanwijzingen reis- en verblijfkosten politieregio Noord- en Oost- Gelderland (hierna: Aanwijzingen), waarin is bepaald dat indien een medewerker voor het woon-werkverkeer de keuze maakt voor het gebruik van eigen vervoer een tegemoetkoming wordt verstrekt op basis van de fiscale forfaitaire bedragen.


1.2. Bij het bestreden besluit van 24 augustus 2006 heeft de korpsbeheerder het bezwaar van appellant tegen de hoogte van deze reiskostenvergoeding ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard.


3.1. Evenals in bezwaar en beroep stelt appellant zich in hoger beroep op het standpunt dat hij voor zijn woon- en werkverkeer aanspraak heeft op een vergoeding van € 0,28 per kilometer op grond van artikel 5, tweede lid, van het Besluit vergoeding dienstreizen politie (hierna: Bvdp) in samenhang met artikel 3 van de Reisregeling binnenland politie (hierna: Rpb).


3.2. De korpsbeheerder heeft hierop gemotiveerd verweer gevoerd.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1. In artikel 11 van het Bvdp is een bijzondere regeling getroffen voor de vergoeding van reiskosten voor het afleggen van het traject tussen de woning en de andere plaats van tewerkstelling, indien een politieambtenaar ingevolge artikel 62 of artikel 64 van het Barp is overgeplaatst. Bepaald is dat aanspraak bestaat op een vergoeding volgens de bepalingen die bij of krachtens het Bvdp worden vastgesteld. Dit brengt mee dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de met toepassing van artikel 64 van het Barp verplaatste politieambtenaar geen aanspraak heeft op vergoeding van reiskosten voor woon-werkverkeer ingevolge of krachtens het Besluit vergoeding verplaatsingskosten politie (Bvvp). In artikel 13 van de krachtens het Bvdp vastgestelde Rpb is bepaald dat vergoeding van reiskosten, bedoeld in artikel 11 van het Bvdp, wordt verleend volgens door het bevoegd gezag nader vast te stellen regels.


4.2. De Raad kan de korpsbeheerder niet volgen in zijn stelling dat in de Aanwijzingen en met name in het in hoofdstuk 8 van deze Aanwijzingen opgenomen regionale Vervoer-plan woon-werkverkeer (hierna: Vervoerplan), nadere regels als bedoeld in artikel 13 van de Rpb zijn vastgesteld.


4.2.1. In de inleiding van hoofdstuk 8 van de Aanwijzingen wordt vermeld dat het Vervoerplan in de plaats komt van de landelijke bepalingen van het Bvvp. Volgens de korpsbeheerder is de bedoeling van het Vervoerplan dat de daarin neergelegde regels mede de nadere regels zijn die de korpsbeheerder ingevolge artikel 13 van het Rpb dient vast te stellen. Uit de Aanwijzingen blijkt die bedoeling echter niet.


4.2.2. In hoofdstuk 2 van de Aanwijzingen wordt bij de opsomming van de mogelijk-heden om de plaats van tewerkstelling te wijzigen wel mede de mogelijkheid van tewerkstelling op grond van artikel 64 van het Barp vermeld. Maar de regels van de hoofdstukken 3 tot en met 7 zien alleen op dienstreizen en daarnaast, blijkens hoofdstuk 6, op woon-werkverkeer in geval van detachering op grond van artikel 62 van het Barp. Die regels zien daarmee niet op woon-werkverkeer naar en van een op grond van artikel 64 gewijzigde plaats van tewerkstelling, nu ze artikel 64 niet vermelden en een dienstreis volgens de omschrijving in hoofdstuk 3 van de Aanwijzingen een verplaatsing tot het verrichten van dienst buiten de plaats van tewerkstelling is. Dit betekent dat ook de hoofdstukken 3 tot en met 7 van de Aanwijzingen niet mede de nadere regels omvatten die de korpsbeheerder ingevolge artikel 13 van het Rpb dient vast te stellen.


4.2.3. Gelet op het vorenoverwogene heeft de korpsbeheerder de in artikel 13 van de Rpb bedoelde nadere regels niet vastgesteld. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 5 juni 2003, 01/1169 AW en 01/1170 AW, heeft het ontbreken van deze nadere regels als gevolg dat artikel 13 van de Rpb in dergelijke gevallen zinledig is en dat de tekst van artikel 11 van het Bvdp (weer) bepalend is voor de aanspraak op vergoeding van de reiskosten. Waar de ver-wijzing naar krachtens het Bvdp vastgestelde bepalingen geen betekenis heeft en waar het Bvdp een specifieke regeling beoogt te geven voor vergoeding van deze reiskosten, moet de in artikel 11 van de Bvdp bedoelde aanspraak worden ontleend aan regels met betrekking tot vergoedingen wegens reiskosten die bij het Bvdp zelf zijn vastgesteld. In het onderhavige geval gaat het dan om artikel 4 en artikel 5 van het Bvdp.


4.3. Het vorenstaande brengt de Raad tot het oordeel dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde tegemoetkoming in de reiskosten voor het woon-werkverkeer ten onrechte op het Vervoerplan is gebaseerd. Het bestreden besluit kan derhalve niet in stand blijven. De korpsbeheerder zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.


5. De Raad komt derhalve tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.


6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand en in hoger beroep eveneens tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand, derhalve in totaal

€ 1.288,-.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 24 augustus 2006;

Draagt de korpsbeheerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 1.288,-, te betalen door de politieregio Noord- en Oost-Gelderland;

Bepaalt dat de politieregio Noord- en Oost-Gelderland aan appellant het door hem in eerst aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 355,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en J.H. van Kreveld als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2008.


(get.) J.C.F. Talman.


(get.) K. Moaddine.


HD