Centrale Raad van Beroep, 12-11-2008 / 06-4695 WAO


ECLI:NL:CRVB:2008:BG4922

Inhoudsindicatie
Intrekking WAO-uitkering. Omvang geding. Een wederpartij die niet zelf hoger beroep heeft ingesteld, kan niet in het verweerschrift de rechtsstrijd uitbreiden. De Raad heeft een tweetal uitzonderingen op dit uitgangspunt geformuleerd. In het onderhavige geval geen sprake van een uitzonderingssituatie. CBBS in beginsel rechtens aanvaardbaar. Aangepaste CBBS onderkent en signaleert mogelijke overschrijdingen in geselecteerde functies van de belastbaarheid van een verzekerde. Eerst in hoger beroep zijn alle in functies voorkomende signaleringen alsnog van een toereikende toelichting voorzien.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-11-12
Publicatiedatum
2008-11-25
Zaaknummer
06-4695 WAO
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2008/507
  • USZ 2009/6 met annotatie van Noot Red.
  • JB 2009/44 met annotatie van AB
Uitspraak

06/4695 WAO


Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 22 juni 2006, 05/2837 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),


en


appellant.


Datum uitspraak: 12 november 2008


I. PROCESVERLOOP


Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.


Namens betrokkene heeft mr. R.L.J.J. Vereijken, werkzaam bij de Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg, een verweerschrift ingediend.


Het Uwv heeft bij brief van 18 juni 2008 een nadere arbeidskundige rapportage

d.d. 17 juni 2008 ingezonden.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2008. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.G. Bombeeck. Betrokkene is – met voorafgaand bericht – niet verschenen.



II. OVERWEGINGEN


1. Bij besluit van 6 januari 2005 heeft appellant de uitkering van betrokkene ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, met ingang van 17 februari 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van betrokkenes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was. Appellant heeft het tegen dit besluit door betrokkene gemaakte bezwaar bij besluit van 28 juli 2005, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.


2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, met bepalingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.


2.2. De rechtbank heeft overwogen dat het bestreden besluit op een toereikende medische grondslag berust. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank, onder verwijzing naar haar uitspraak van 21 maart 2006, LJN AV6086, overwogen dat op de zich bij de gedingstukken bevindende formulieren “Resultaat functiebeoordeling” bij de geduide functies signaleringen met een M en een G zijn vermeld en dat de signaleringen met een G niet nader zijn toegelicht. De rechtbank is van oordeel dat, wegens het ontbreken van zulk een nadere motivering, er niet is voldaan aan de eis van een als toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid van een schattingsbesluit in een concreet geval.


2.3. Ten slotte heeft de rechtbank ter voorlichting van betrokkene opgemerkt dat de gegrondverklaring van het beroep en de vernietiging van het bestreden besluit niet betekenen dat betrokkene op alle onderdelen van het beroep gelijk heeft gekregen. Uit het voorafgaande blijkt volgens de rechtbank dat zij de beroepsgronden van betrokkene met betrekking tot de medische beoordeling ondubbelzinnig heeft verworpen. Indien betrokkene zich niet kan verenigen met de verwerping van deze beroepsgronden en wil voorkomen dat het oordeel van de rechtbank in rechte komt vast te staan, zal hij, ondanks de gegrondverklaring van het beroep, tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep moeten instellen.


3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat het bestreden besluit een toereikende arbeidskundige motivering ontbeert. De door de Raad in zijn uitspraken van 9 november 2004, onder meer LJN AR4716, gesignaleerde onvolkomenheden in het CBBS zijn inmiddels immers, zo heeft appellant betoogd, ondervangen, waardoor een op dit aangepaste CBBS gebaseerde arbeidsongeschiktheidsbeoordeling wel voldoende inzichtelijk, verifieerbaar en toetsbaar is. De omstandigheid dat door het CBBS gegenereerde signaleringen, aangegeven met een “M” (motivering vereist), door de arbeidsdeskundige in een aantal gevallen mogen worden omgezet in een “G“ (geen nadere motivering vereist) maakt dit niet anders. Een “M“ mag immers slechts dan in een “G“ worden omgezet als voor een ieder inzichtelijk, verifieerbaar en toetsbaar is dat de functie-eisen binnen de mogelijkheden van de betreffende cliënt vallen. De situaties waarin zich dit kan voordoen, zijn door appellant limitatief in zijn beleid vermeld. Om die reden mag de rechtbank volgens appellant niet de eis stellen dat in alle gevallen waarin de arbeidsdeskundige een “M” heeft omgezet in een “G” dient te worden gemotiveerd dat deze signalering geen overschrijding van de mogelijkheden van de betreffende cliënt met zich brengt.


3.2. Betrokkene heeft in verweer zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn (medische) beperkingen en dat daarom het verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoek niet juist zijn geschied.


3.3. Daarnaast is betrokkene met de rechtbank van mening dat het gewijzigde CBBS nog steeds onvoldoende inzicht geeft in zijn persoonlijke situatie.


4. Ten aanzien van de omvang van het geding in hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 22 oktober 2008 (LJN BG1621). Zoals de Raad in deze uitspraak heeft uiteengezet geldt als uitgangspunt dat in beginsel de indiener van het hoger beroepschrift bepaalt waarover de rechter in hoger beroep een oordeel dient te geven. Een wederpartij die niet zelf hoger beroep heeft ingesteld, kan niet in het verweerschrift de rechtsstrijd uitbreiden door – zoals in dit geval – zich alsnog te keren tegen een oordeel van de rechtbank waarop het ingestelde hoger beroep – als gevolg van het feit dat de wederpartij geen hoger beroep heeft ingesteld – geen betrekking heeft. De Raad heeft een tweetal uitzonderingen op dit uitgangspunt geformuleerd. Het uitbreiden van de rechtsstrijd in hoger beroep door degene die niet zelf hoger beroep heeft ingesteld is – toch – mogelijk als:

1. sprake is van een zo nauwe verwevenheid tussen hetgeen de indiener van het hogerberoepschrift aan de orde heeft gesteld en hetgeen de wederpartij vervolgens in het verweerschrift aanvoert, dat de rechter het ene standput niet los kan beoordelen van het andere;

2. niet van de wederpartij gevergd kon worden dat deze zelf hoger beroep zou instellen. Dat is het geval als die wederpartij geen – zelfstandig – belang had bij het instellen van hoger beroep. De Raad is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat zich in het onderhavige geval niet een van die uitzonderingssituaties voordoet, met als gevolg dat hij geen oordeel kan geven over het oordeel van de rechtbank over de vaststelling van de medische beperkingen van betrokkene. Betrokkene had, om zo’n oordeel wel te verkrijgen, zelf hoger beroep moeten instellen.


5.1. Met betrekking tot hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd verwijst de Raad allereerst naar zijn uitspraken van 9 november 2004 (onder meer LJN: AR4717), van 12 oktober 2006 (onder meer LJN: AY9971), van 23 februari 2007 (onder meer LJN: AZ9153) en van 6 april 2007 (LJN: BA2860).


5.2. De Raad heeft – kort gezegd – overwogen dat het CBBS in beginsel rechtens aanvaardbaar is te achten als ondersteunend systeem bij de bepaling van (de mate van) arbeidsongeschiktheid, maar dat het een aantal onvolkomenheden vertoont en dat, zolang het CBBS niet wordt aangepast, zwaardere eisen worden gesteld aan de motivering van schattingsbesluiten.


5.3. Met betrekking tot het aangepaste CBBS is de Raad in evenbedoelde uitspraken van 12 oktober 2006 tot de slotsom gekomen dat met de aangebrachte aanpassingen de aan het CBBS klevende, in zijn uitspraken van 9 november 2004 beschreven onvolkomenheden in voldoende mate zijn opgeheven. In dit verband heeft de Raad overwogen het voldoende aannemelijk te achten dat het aangepaste CBBS, zowel bij matchende als bij niet-matchende beoordelingspunten, mogelijke overschrijdingen in geselecteerde functies van de belastbaarheid van een verzekerde onderkent en signaleert. Dit zal zich doorgaans kunnen voordoen, indien hij of zij door de verzekeringsarts beperkt wordt geacht ten opzichte van de normaalwaarde of indien in een functie een belasting wordt gevraagd die meer bedraagt dan de normaalwaarde. In die uitspraken heeft de Raad voorts, wat betreft de signaleringen met een “G”, overwogen dat alle door het CBBS op de functiebelasting aangebrachte signaleringen van een afzonderlijke toelichting dienen te worden voorzien, waarbij tevens geldt dat in voorkomende gevallen, afhankelijk van de zich voordoende feiten en omstandigheden, voorafgaand overleg met de verzekeringsarts noodzakelijk zal zijn.


5.4. In de rapportage van 17 juni 2008 heeft de bezwaararbeidsdeskundige Beckers de aan de onderhavige schatting ten grondslag gelegde functies in het licht van voormelde uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006 besproken. Beckers heeft alle in die functies voorkomende signaleringen alsnog van een – naar het oordeel van de Raad toereikende – toelichting voorzien.


5.5. De vaststelling dat het bestreden besluit eerst in hoger beroep is voorzien van een deugdelijke onderbouwing, leidt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank, zij het op andere gronden, het bestreden besluit terecht heeft vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.


6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin is beslist dat appellant een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.


Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 november 2008.



(get.) T. Hoogenboom.



(get.) M.D.F. de Moor.



TM