Centrale Raad van Beroep, 17-12-2008 / 07/2284 ZW en 07/2589 ZW


ECLI:NL:CRVB:2008:BG7955

Inhoudsindicatie
Ziekmelding vanuit WAO-uitkering en WW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor zijn arbeid. Het is niet ongeoorloofd om in daarvoor in aanmerking komende ziektewetzaken het nader medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts tevens als hoorzitting te laten functioneren, mits geen afbreuk wordt gedaan aan de door de wetgever beoogde functie van de hoorplicht, de gang van zaken voor alle betrokkenen duidelijk is en ook overigens wordt voldaan aan de wettelijke bepalingen ter zake van het horen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-12-17
Publicatiedatum
2008-12-22
Zaaknummer
07/2284 ZW en 07/2589 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/2284 ZW en 07/2589 ZW


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 maart 2007, 06/3652 en 06/3070 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 17 december 2008



I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2008. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.



II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellant, voorheen werkzaam als ijzerwerker, ontvangt sedert 11 augustus 2004 een uitkering ingevolgde de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80%. Naast deze uitkering ontving appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Vanuit die situatie heeft appellant zich op 13 juni 2005 ziek gemeld met maag- en longklachten. Sedertdien ontving hij naast de WAO-uitkering een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Deze uitkering is per 19 januari 2006 beëindigd. Nadat het bezwaar tegen de beëindiging gegrond was verklaard, is de uitkering ingevolge de ZW per 19 januari 2006 ongewijzigd voortgezet.

Op 4 mei 2006 is appellant onderzocht door een verzekeringsarts die hem per 18 mei 2006 hersteld verklaarde voor de in het kader van de WAO-beoordeling per 11 augustus 2004 geschikt geachte functies. Bij besluit van 4 mei 2006 heeft het Uwv geweigerd appellant per 18 mei 2006 uitkering ingevolge de ZW te verstrekken. Het door appellant tegen het besluit van 4 mei 2006 gemaakte bezwaar is bij besluit van 17 juli 2006 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.


1.2. Op 18 mei 2006 heeft appellant het Uwv telefonisch meegedeeld dat hij niet hersteld was, dat zijn medische toestand inmiddels was verslechterd en dat hij nog onder behandeling was. Bij brief van 22 juni 2006 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij per 18 mei 2006 recht heeft op ziekengeld, maar dat dit ziekengeld niet tot uitbetaling komt omdat appellant zich binnen drie dagen na de ziekmelding hersteld heeft gemeld. Het door appellant tegen de brief van 22 juni 2006 gemaakte bezwaar is bij besluit van 14 augustus 2006 (bestreden besluit 2) kennelijk ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard, het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, het bezwaar tegen de brief van 22 juni 2006 niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze brief naar het oordeel van de rechtbank geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en bepaald dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed.


3. Appellant heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aangevoerd dat door onjuiste voorlichting van de kant van het Uwv zijn toenmalige gemachtigde ten onrechte niet bij de hoorzitting op 13 juli 2006 aanwezig is geweest en dat hij daardoor is benadeeld. Voorts stelt appellant dat hij zodanige pijnklachten heeft dat hij niet kan werken. Hij heeft pijn in de rug, benen, schouder en nek. Deze klachten zijn sedert 2006 verergerd. Daarnaast zijn er maag- en darmklachten, longklachten, prostaatklachten, waardoor hij ’s nachts vaak naar de toilet moet, psychische klachten en is hij sterk vermagerd. Appellant meent dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte heeft aangenomen dat er geen beperkingen zijn voor buigen, tillen en dragen, nu bij de WAO-beoordeling daarvoor al beperkingen waren aangenomen. Voorts is appellant er boos over dat zijn ziekmelding van 18 mei 2006 niet verder in behandeling is genomen, want zijn klachten waren toen toegenomen.


4. Het Uwv heeft hier tegenover gesteld dat klachten die zijn ontstaan na 18 mei 2006 buiten de omvang van het geding vallen. Appellant heeft zijn stelling dat hij meer beperkt is niet met medische stukken onderbouwd. Voorts meent het Uwv dat de bezwaarverzekeringsarts niet heeft gezegd dat appellant op de aspecten buigen, tillen en dragen niet beperkt is, maar dat uit de maag- en darmklachten op die aspecten geen structurele beperkingen voortvloeien. Het Uwv onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de brief van 22 juni 2006 niet is gericht op rechtsgevolg en derhalve geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Bovendien heeft appellant tegen dit gedeelte van de uitspraak geen gronden aangevoerd, aldus het Uwv.


5. De Raad oordeelt als volgt.


5.1. In zijn uitspraak van 1 juli 2003, LJN AH9929, heeft de Raad geoordeeld dat het niet ongeoorloofd is om in daarvoor in aanmerking komende ziektewetzaken het nader medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts tevens als hoorzitting te laten functioneren, mits geen afbreuk wordt gedaan aan de door de wetgever beoogde functie van de hoorplicht, de gang van zaken voor alle betrokkenen duidelijk is en ook overigens wordt voldaan aan de wettelijke bepalingen ter zake van het horen.


5.1.1. Uit de gedingstukken blijkt dat de toenmalige gemachtigde van appellant op 19 mei 2006 schriftelijk heeft aangegeven het bezwaar tijdens een hoorzitting mondeling te willen toelichten. Vervolgens is appellant bij brief van 3 juli 2006 uitgenodigd voor een spreekuuronderzoek door de bezwaarverzekeringsarts op 13 juli 2006. Blijkens een brief van eveneens 3 juli 2006 heeft het Uwv de gemachtigde van appellant een afschrift van deze brief gezonden. Alleen appellant is op het spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts verschenen.


5.1.2. Naar het oordeel van de Raad blijkt uit de brief van 3 juli 2006 duidelijk dat het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts op 13 juli 2006 niet alleen een spreekuuronderzoek maar ook een hoorzitting was waar appellant door de bezwaarverzekeringsarts zou worden gehoord. Voorts staat in de brief vermeld dat de gemachtigde van appellant heeft aangegeven niet bij het onderzoek aanwezig te zijn en dat de gemachtigde een kopie van de brief krijgt. De Raad is van oordeel dat het appellant na ontvangst van de brief duidelijk had kunnen zijn dat zijn gemachtigde niet kwam. Hij had daarop de gemachtigde kunnen verzoeken wel te komen. Voorts had het de gemachtigde van appellant na ontvangst van de brief van 3 juli 2006 duidelijk kunnen zijn dat het spreekuuronderzoek op 13 juli 2006, anders dan haar mogelijk door een medewerker van het Uwv is meegedeeld, zowel een medisch onderzoek als hoorzitting betrof. De gemachtigde had hierop kunnen besluiten toch te komen. Om haar moverende redenen heeft de gemachtigde dat niet gedaan. De Raad is van oordeel dat gelet op voormelde gang van zaken, die betrekking heeft op de relatie tussen appellant en zijn gemachtigde, het niet verschijnen van de gemachtigde voor risico van appellant dient te blijven. De Raad ziet gelet op voormelde gang van zaken geen aanleiding schending van de hoorplicht aan te nemen.


5.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder 'zijn arbeid' verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO.

In de thans te beoordelen zaak betekent het voorgaande dat ter zake van appellants ziektegeval van 13 juni 2005 als maatstaf dient te worden aangelegd de functies die ten grondslag liggen aan de schatting per 11 augustus 2004. Zoals de Raad reeds vele malen heeft overwogen, dient onder 'zijn arbeid' in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan elk van die functies afzonderlijk. Het kunnen vervullen van slechts één van die functies is dan ook voldoende voor het oordeel dat de verzekerde geschikt is voor 'zijn arbeid'. In het geval van appellant gaat het om een van de functies medewerker productielijn, meubelstikker, bezorger apotheekproducten en gordijnennaaier.


5.2.1. De Raad is van oordeel dat bestreden besluit 1 berust op een zorgvuldige medische onderbouwing. Appellant is gedurende de ziekteperiode herhaalde malen gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts. Deze verklaarde hem in januari 2006 al hersteld, maar omdat het WAO-dossier van appellant zoek was, is het ziekengeld gecontinueerd. Op 4 mei 2006 is appellant wederom op het spreekuur van de verzekeringsarts gezien. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts appellant op 13 juli 2006 onderzocht en het oordeel van de verzekeringsarts bevestigd.

De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen reden voor twijfel aan de medische beoordeling en de conclusies van de (bezwaarverzekerings)arts. In dat verband is van belang dat appellant zijn stelling dat hij op 18 mei 2006 niet was hersteld niet met objectief medische gegevens heeft onderbouwd. Het eigen, subjectieve, oordeel van appellant dat hij op 18 mei 2006 nog ziek was, kan niet als een objectief medische onderbouwing gelden.


5.2.2. Hetgeen in 5.2 en 5.2.1 is overwogen leidt tot de conclusie dat appellant per 18 mei 2006 in staat moest worden geacht ten minste een van de WAO-functies verrichten. Bestreden besluit 1 berust dan ook op goede gronden en de rechtbank heeft het tegen dat besluit gerichte beroep terecht ongegrond verklaard.


5.3.1. Ten aanzien van bestreden besluit 2 overweegt de Raad dat bij een hersteldverklaring op termijn er een reële kans is dat de betrokkene op de aangegeven hersteldatum niet hersteld is of zich niet hersteld acht en zich wederom ziek meldt. Naar aanleiding van een dergelijke ziekmelding zal moeten worden onderzocht of de betrokkene inderdaad (nog) ziek is en zal naar aanleiding van de melding een besluit moeten worden genomen. De Raad is van oordeel dat de brief van 22 juni 2006, waarbij aan appellant ziekengeld is geweigerd, als een zodanig besluit dient te worden aangemerkt. Dit besluit is gericht op rechtsgevolg, nu daarin is beslist over appellants recht op uitkering ingevolge de ZW. Tegen het besluit van 22 juni 2006 kon appellant dan ook bezwaar maken. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 22 juni 2006 terecht ontvankelijk heeft geacht.


5.3.2. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het Uwv op goede gronden het bezwaar kennelijk ongegrond heeft verklaard. Die vraagt beantwoordt de Raad bevestigend. De Raad overweegt daartoe dat de gezondheidstoestand van appellant op en na 18 mei 2006 op 13 juli 2006 is herbeoordeeld door de bezwaarverzekeringsarts. Daarbij dient er vanuit te worden gegaan dat de bezwaarverzekeringsarts de gehele periode van 18 mei 2006 tot de onderzoeksdatum bij zijn beoordeling heeft betrokken. Nu appellant toen en ook nadien geen medische gegevens heeft ingebracht waaruit blijkt dat hij op en na 18 mei 2006 meer beperkingen had dan zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 9 juni 2004, was er voor het Uwv geen aanleiding appellant in het kader van het bezwaar tegen het besluit van 22 juni 2006 weer medisch te laten onderzoeken dan wel een hoorzitting te houden. Het bezwaar is terecht kennelijk ongegrond geacht.


5.4. Uit hetgeen in 5.3.1 en 5.3.2 is overwogen volgt dat de rechtbank bestreden besluit 2 ten onrechte heeft vernietigd. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd behalve voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaren.


6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak behalve voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard;

Verklaart het inleidend beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.T.C.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 december 2008.



(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.



(get.) M.T.C.M. Sonderegger.


GdJ