Centrale Raad van Beroep, 11-12-2008 / 08-429 WIA


ECLI:NL:CRVB:2008:BG8570

Inhoudsindicatie
Verschoonbare termijnoverschrijding: de medisch psychische problemen van appellante waren van dien aard dat haar redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij niet tijdig bezwaar heeft ingesteld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-12-11
Publicatiedatum
2008-12-30
Zaaknummer
08-429 WIA
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/429 WIA


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellante] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 29 november 2007, 07/4051 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).



Datum uitspraak: 11 december 2008.



I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2008, waar appellante in persoon is verschenen bijgestaan door haar moeder G. Langendam. Het Uwv heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door mr. R. Sowka, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.



II. OVERWEGINGEN


1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het Uwv appellante bij besluit van 4 juni 2007 op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het feit dat appellante bij het instellen van bezwaar de ingevolge de artikelen 6:7, 6:8 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift van zes weken, niet in acht heeft genomen en dat niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs geoordeeld kan worden dat appellante niet in verzuim is geweest.


2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij geoordeeld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij gedurende de gehele bezwaartermijn van zes weken geestelijk niet in staat was een bezwaarschrift in te dienen. Naar het oordeel van de rechtbank had appellante ter sauvering van de termijn een pro forma bezwaarschrift kunnen indienen dan wel een derde kunnen inschakelen om dat te doen. Daarnaast heeft de rechtbank uit de brief van appellante van 23 januari 2007 de conclusie getrokken dat appellante in staat was haar belangen te behartigen, hetgeen de rechtbank tot de slotsom heeft gebracht dat het Uwv het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante onder overlegging van medische bescheiden -kort samengevat- aangevoerd dat er medische redenen ten grondslag hebben gelegen aan het te laat indienen van haar bezwaarschrift.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1. Ingevolge artikel 6:6 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift 6 weken. Niet in geschil is dat het bij schrijven van 14 april 2007 gemaakte bezwaar tegen het besluit van 15 februari 2007 is gemaakt na de in artikel 6:7 van de Awb voorgeschreven termijn van zes weken. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De Raad overweegt dat de termijnen voor het maken van bezwaar en beroep fatale termijnen zijn, bij overschrijding waarvan een niet-ontvankelijkheid dient te worden uitgesproken, tenzij valt te wijzen op een aanvaardbare reden voor verschoonbaarheid als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Toepassing van artikel 6:11 van de Awb vraagt een individuele beoordeling in het concrete geval.


4.2. In de omstandigheden van onderhavig geval ziet de Raad aanleiding om toepassing te geven aan artikel 6:11 van de Awb. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat bij appellante eind 2003 een grote goedaardige hersentumor is verwijderd en dat er in december 2005 sprake was van een klein recidief tumor, waarop appellante in september 2006 stereotactisch is bestraald. In hoger beroep heeft appellante - onder meer - een schriftelijk bericht van 12 december 2007 van behandelend arts dr. L.J.A. Stalpers overgelegd. In de laatste alinea van dat schrijven geeft de behandelend specialist Stalpers het volgende weer:

“Verder kan ik zelf, -mocht dat ter sprake komen-, wel aannemelijk maken dat zij door schade aan haar frontale hersenen (waar het “goede gedrag” zit) niet in staat is geweest om de afgelopen 2 jaar juiste beslissingen te nemen. Recent hebben we effecten onderzocht juist bij deze groep patiënten met een meningeoom bij wie we vonden dat denkstoornissen (cognitieve problemen) vaak voorkomen en ernstiger zijn dan we op het oog inschatten.”.


4.3. Naar aanleiding van het door appellante in het hoger beroepschrift gestelde heeft het Uwv bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst verzocht te beoordelen of op grond van medische redenen appellante in een dusdanige toestand verkeerde dat zij niet tijdig een bezwaarschrift heeft kunnen indienen. Aan dit verzoek heeft verzekeringsarts Hulst voldaan middels zijn medische rapportage van 15 maart 2008. Ten aanzien van de verklaring van behandelend specialist Stalpers merkt bezwaarverzekeringsarts Hulst op dat:

“De enige “verklaring” die zij over legt is een e-post bericht van de behandelend arts waarin deze aangeeft wel aannemelijk te kunnen maken dat zij door de opgelopen schade de afgelopen twee jaar niet in staat was juiste beslissingen te nemen. Dit is echter geen verklaring die voldoet aan de benodigde volledigheid en zorgvuldigheid: het imponeert meer als een algemene stelling en niet een die op de persoon in kwestie is toegesneden.”.


4.4. Naar het oordeel van de Raad blijkt uit de in hoger beroep overgelegde medische informatie in samenhang bezien met de overige zich in het dossier bevindende stukken en de door appellante zelf ter zitting van de Raad verstrekte informatie ten tijde in geding dat de medisch psychische problemen van appellante van dien aard waren dat haar redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij niet tijdig bezwaar heeft ingesteld. De Raad wijst daarbij met name op de naar zijn oordeel doorslaggevende verklaring van behandelend specialist Stalpers die aangegeven heeft aannemelijk te kunnen maken dat appellante in de periode in geding, niet in staat is geweest haar belangen naar behoren te kunnen vertegenwoordigen. De daar tegenovergestelde medische rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Hulst geeft weliswaar een beschouwing ten aanzien van de in hoger beroep overgelegde stukken, maar geeft naar het oordeel van de Raad, in het geheel geen antwoord op de vraag of appellante op grond van medische redenen in een dusdanige toestand verkeerde dat zij niet tijdig een bezwaarschrift heeft kunnen indienen. Indien naar de mening van bezwaarverzekeringsarts Hulst de verklaring van specialist Stalpers meer een algemene, niet op de persoon toegesneden stelling is, had het in elk geval op zijn weg gelegen Stalpers collegiaal te benaderen met het verzoek om informatie te verstrekken ten aan zien van de vraag of appellante in de betreffende periode op medische gronden niet in staat was tijdig bezwaar in te dienen. Onder de thans gegeven omstandigheden kan aan de onvoldoende onderbouwde zienswijze van meerbedoelde bezwaarverzekeringsarts niet die betekenis worden toegekend welke het Uwv daaraan hecht.


4.5. Nu er voldoende grond is om de termijnoverschrijding bij het indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar te achten, heeft het Uwv dan ook ten onrechte het bezwaarschrift wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Dit brengt de Raad tot de beslissing dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit van 4 juni 2007 niet in stand kunnen worden gelaten en dat het Uwv een nieuw inhoudelijk besluit dient te nemen op het tegen het besluit van 15 februari 2007 ingediende bezwaarschrift.


4.6. De Raad is niet gebleken van kosten die op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 4 juni 2007;

Draagt het Uwv op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de overwegingen van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145,-- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 december 2008.



(get.) B.J. van der Net.



(get.) C. de Blaeij.



EK1612