Centrale Raad van Beroep, 15-01-2009 / 07-5354 AW


ECLI:NL:CRVB:2009:BH0820

Inhoudsindicatie
De mededeling bevat een beslissing in die zin dat het regelmatig bezoeken van medici en andere hulpverleners door appellant tijdens diensttijd, zoals dat voorheen gebeurde en blijkbaar ook werd toegestaan, behoudens uitzonderingsgevallen niet meer wordt toegestaan. Appellant is hierdoor rechtstreeks in zijn belang getroffen: besluit.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-01-15
Publicatiedatum
2009-01-26
Zaaknummer
07-5354 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2009/94
  • ABkort 2009/105
Uitspraak

07/5354 AW



Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:


[appellant], (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 16 augustus 2007, 06/947 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Korpsbeheerder van de politieregio Zeeland (hierna: korpsbeheerder)



Datum uitspraak: 15 januari 2009



I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2008, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Dammingh, advocaat te Woerden. De korpsbeheerder is, zoals tevoren was bericht, niet verschenen.



II. OVERWEGINGEN


1. Bij brief van 6 maart 2006 is namens de korpsbeheerder aan appellant onder meer meegedeeld dat, behoudens uitzonderingen, te bepalen door de teamchef, bezoek aan fysiotherapeut, ziekenhuis, schoenmaker en andere specialisten in eigen tijd dient plaats te vinden. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van de korpsbeheerder van 6 juli 2006 niet-ontvankelijk is verklaard.


2. Het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak,voor zover hier van belang, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat de onder 1 aangehaalde mededeling in de brief van 6 maart 2006 in de kern neerkomt op een herhaling van hetgeen in een eerdere brief van 8 maart 1999 is vermeld en dat daarmee hetzelfde rechtsgevolg is beoogd, zodat die mededeling niet als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is aan te merken.


3. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de desbetreffende mededeling wel een besluit in de zin van de Awb is, nu de brieven van 6 maart 2006 en 8 maart 1999 op onderdelen afwijken en er kennelijk een nieuwe afweging van de korpsbeheerder aan ten grondslag ligt. Volgens appellant had verder, nu het een duuraanspraak betreft, een inhoudelijke afweging moeten plaatsvinden.


4. De korpsbeheerder heeft aangevoerd dat de kern van beide eerder genoemde brieven hetzelfde is. Er is geen sprake van een limitatieve opsomming, maar van een richtingsduiding die aangeeft dat in principe in eigen tijd hulpverleners moeten worden bezocht. De door appellant gewenste afweging heeft al plaatsgevonden ten behoeve van de brief van 8 maart 1999. Dat een bezwaarclausule in de brief van 6 maart 2006 is opgenomen maakt dit nog geen appellabel besluit, aldus de korpsbeheerder.


5. De Raad overweegt als volgt.


5.1. De Raad kan de korpsbeheerder niet volgen in het standpunt dat de brieven van 8 maart 1999 en 6 maart 2006 dezelfde strekking hebben en dat met die brieven hetzelfde rechtsgevolg is beoogd. In de eerste brief is door de districtschef meegedeeld dat hij het op prijs zou stellen dat appellant het bezoek aan de fysiotherapeut wil realiseren binnen de huidige planningssystematiek, hetgeen in die brief verder wordt uitgewerkt. Deze brief heeft een beperktere strekking dan de brief van 6 maart 2006. Nadat aan appellant in augustus 2005 door de teamchef was meegedeeld dat vanaf dat moment bezoeken aan fysiotherapeut, ziekenhuis, schoenmaker e.d. zonder zijn uitdrukkelijke toestemming niet meer in diensttijd plaatsvinden, heeft appellant hierover een standpunt van de korpsbeheerder als bevoegd gezag verzocht. Dit standpunt is neergelegd in de brief van

6 maart 2006, zoals weergegeven onder 1.


5.2. Gezien de inhoud van de brief van 6 maart 2006, voor zover hier van belang, bezien in samenhang met de overige gedingstukken, bevat die mededeling een beslissing in die zin dat het regelmatig bezoeken van medici en andere hulpverleners door appellant tijdens diensttijd, zoals dat voorheen gebeurde en blijkbaar ook werd toegestaan, behoudens uitzonderingsgevallen niet meer wordt toegestaan. Nu appellant hierdoor rechtstreeks in zijn belang is getroffen, is naar het oordeel van de Raad sprake van een besluit in de zin van de Awb waartegen bezwaar en beroep open staat.


5.3. Gezien het vorenstaande heeft de korpsbeheerder het bezwaar van appellant ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en komt het bestreden besluit van 6 juli 2006 in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, moet op dit onderdeel worden vernietigd. De korpsbeheerder zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad.


6. De Raad acht voorts termen aanwezig om de korpsbeheerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- voor kosten van rechtsbijstand en in hoger beroep tot een bedrag van

€ 644,- aan kosten van rechtsbijstand en € 124,65 aan verletkosten, zijnde in totaal

€ 1.412,65.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 6 juli 2006, voor zover daarbij het bezwaar tegen het in geding zijnde onderdeel van het besluit van 6 maart 2006 niet-ontvankelijk is verklaard;

Draagt de korpsbeheerder op ten aanzien van dit onderdeel een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant met inachtneming van de uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.412,65, te betalen door de politieregio Zeeland;

Bepaalt dat de politieregio Zeeland aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 355,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en T. van Peijpe als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2009.



(get.) H.A.A.G. Vermeulen.



(get.) K. Moaddine.




HD

12.01

Q