Centrale Raad van Beroep, 05-01-2009 / 07-3525 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BH0946

Inhoudsindicatie
Oplegging verplichting om gebruik te maken van de nachtopvang. Rechtbank heeft beroep van betrokkene gegrond verklaard, overwegende dat de opgelegde verplichting het kader van art. 55 WWB te buiten gaat. Aangezien betrokkene inmiddels over eigen huisvesting beschikt ontbreekt processueel belang. Volgens vaste rechtspraak is het rechtsmiddel van hoger beroep niet bedoeld voor de beantwoording van rechtsvragen die enkel van theoretisch belang zijn en geen betekenis hebben voor het aanhangige geschil. Niet-ontvankelijkverklaring
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-01-05
Publicatiedatum
2009-01-29
Zaaknummer
07-3525 WWB
Procedure
Hoger beroep

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/3525 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 23 april 2007, 06/4849 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),


en


appellant.


Datum uitspraak: 5 januari 2009


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door H.L.P.M. van Helden, werkzaam bij de gemeente Eindhoven. Betrokkene is niet verschenen.


II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Betrokkene ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Ten tijde hier in geding beschikte hij niet over eigen huisvesting.


1.2. Bij besluit van 15 februari 2006 heeft appellant betrokkene met toepassing van artikel 55 in samenhang met artikel 18, eerste lid, van de WWB de verplichting opgelegd om gebruik te maken van de nachtopvang van Stichting [naam stichting 1] of [naam stichting 2], teneinde de weg naar een stabiele woon-, leef- en werksituatie mogelijk te maken en zo zelfstandig te kunnen voorzien in zijn kosten van bestaan.


1.3. Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 15 februari 2006 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het besluit van 31 oktober 2006 voor zover hier van belang vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit dient te nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de aan betrokkene opgelegde verplichting het kader van artikel 55 van de WWB te buiten gaat.


3. De Raad overweegt omtrent de ontvankelijkheid van het hoger beroep ambtshalve als volgt.


3.1. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat betrokkene inmiddels over eigen huisvesting beschikt en op dit vaste adres staat ingeschreven. Daarmee is, naar de gemachtigde van appellant ter zitting heeft bevestigd, aan de opgelegde verplichting om van nachtopvang gebruik te maken iedere concrete betekenis ontvallen.


3.2. Gevraagd naar het processueel belang van appellant bij zijn hoger beroep, heeft de gemachtigde voorts verklaard dat dit belang uitsluitend is gelegen in de wens om, met het oog op andere gevallen, een uitspraak van de Raad te verkrijgen om de vraag of aan artikel 55 van de WWB de bevoegdheid kan worden ontleend tot het opleggen van een verplichting zoals hier aan de orde. Volgens vaste rechtspraak is het rechtsmiddel van hoger beroep echter niet bedoeld voor de beantwoording van rechtsvragen die enkel van theoretisch belang zijn en geen betekenis hebben voor het aanhangige geschil.


3.3. Gelet op de verklaringen van de gemachtigde is de Raad dan ook van oordeel dat processueel belang bij het hoger beroep ontbreekt. Om die reden zal het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.


3.4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding, nu geen sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende kosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.


Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2009.


(get.) R.C. Schoemaker.


(get.) B.E. Giesen.


IJ