Centrale Raad van Beroep, 16-01-2009 / 07-3742 WAZ


ECLI:NL:CRVB:2009:BH1229

Inhoudsindicatie
Toekenning gedeeltelijke WAZ-uitkering. Geen reden om aan te nemen dat het onderzoek van de verzekeringsartsen niet zorgvuldig en volledig was, dat de medische beperkingen van appellant niet juist zijn vastgesteld en dat hij niet in staat is om de geselecteerde functies te vervullen. Rechtbank mocht oordeel van door haar ingeschakelde onafhankelijk deskundige volgen. Dat de deskundige de behandelaars van appellant niet heeft geraadpleegd doet geen afbreuk aan zijn onderzoek en zijn bevindingen. Hij heeft immers kennisgenomen van de schriftelijke verklaringen van de behandelaars. Het in een zeer laat stadium ingebrachte rapport bij wijze van ‘second opinion’ brengt geen verandering in oordeel van de Raad. Bovendien gebaseerd op dossierstudie.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-01-16
Publicatiedatum
2009-01-29
Zaaknummer
07-3742 WAZ
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/3742 WAZ


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 mei 2007, 05/2400 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 16 januari 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. R.E. Teusink, advocaat te Roosendaal.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C.F.A. Cadot, advocaat te Roosendaal. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.J.J.M. van Eijk.


II. OVERWEGINGEN


1. Bij besluit van 8 februari 2005 is aan appellant met ingang van 13 augustus 2003 een uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.


2. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 27 mei 2005 ongegrond verklaard.


3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 27 mei 2005 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank na appellant door een deskundige, zenuwarts D.H.J. Boeykens, te hebben laten onderzoeken, overwogen dat de in de ‘Functionele Mogelijkheden Lijst’ (FML) van 6 december 2004 opgenomen beperkingen juist zijn.


4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het onderzoek van Boeykens niet zorgvuldig is geweest, omdat Boeykens de behandelaars niet heeft geraadpleegd en niet heeft gereageerd op de reactie van de behandelend neuroloog

prof. dr. M.D. Ferrari die wel meer beperkingen heeft aangenomen. Appellant heeft vervolgens herhaald dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat hij niet in staat is om de geselecteerde functies te vervullen. Ter onderbouwing van het door hem gestelde heeft appellant gewezen op het op zijn verzoek uitgebrachte rapport van 18 november 2008 van de bedrijfsarts

drs. R.S. Hylkema.


5.1. De Raad overweegt als volgt.


5.2.1. Met de rechtbank en op gelijke gronden als de rechtbank heeft gehanteerd, is de Raad van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen reden is om aan te nemen dat het onderzoek van de verzekeringsartsen niet zorgvuldig en volledig was, dat de medische beperkingen van appellant niet juist zijn vastgesteld en dat hij niet in staat is om de geselecteerde functies te vervullen.


5.2.2. De rechtbank is tot haar oordeel gekomen na appellant door een onafhankelijke deskundige te hebben laten onderzoeken. De Raad ziet geen reden waarom de rechtbank de deskundige Boeykens niet had mogen volgen in diens conclusies. Niet is gebleken dat Boeykens ter zake niet deskundig is, dat zijn onderzoek niet zorgvuldig was dan wel dat zijn rapport niet concludent is. Dat Boeykens de behandelaars van appellant niet heeft geraadpleegd doet geen afbreuk aan zijn onderzoek en zijn bevindingen. Boeykens heeft immers kennisgenomen van de schriftelijke verklaringen van de behandelaars van appellant, terwijl niet is gebleken dat hij daarmee niet had kunnen volstaan. Ook leidt het gegeven dat Boeykens tot een enigszins andere diagnose komt dan Ferrari en dat Boeykens niet heeft gereageerd op de reactie van Ferrari op zijn bevindingen, volgens de Raad niet tot diskwalificatie van de opvatting van Boeykens. Het gaat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid immers niet om de (precieze) diagnose, maar om de uit de gediagnosticeerde aandoening volgende beperkingen voor het verrichten van arbeid. Boeykens heeft verklaard dat de in de FML vermelde beperkingen een juist beeld geven van de belastbaarheid van appellant. De verklaringen van Ferrari bieden geen concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat appellant meer en/of verdergaand beperkt is.


5.2.3. In een zeer laat stadium – kort voor de zitting in hoger beroep – heeft appellant bij wijze van ‘second opinion’ een omvangrijk rapport van R.S. Hylkema van 18 november 2008 ingebracht. De Raad is van oordeel dat uit het rapport van Hylkema niet zodanig duidelijk en overtuigend voortvloeit dat de in de FML opgenomen beperkingen niet als juist of volledig kunnen worden aangemerkt, dat het is aangewezen het onderzoek te heropenen en het UWV in de gelegenheid te stellen een nadere reactie in te brengen. De Raad heeft bij zijn oordeel mee laten wegen dat Hylkema zijn bevindingen slechts heeft gebaseerd op dossieronderzoek, niet is kunnen blijken dat Hylkema gespecialiseerde kennis heeft op het gebied van de aandoening van appellant en al evenmin sprake is van recent ontstane inzichten in de aard en omvang van de gezondheidsproblemen zoals die bestonden op de datum in geding.


6. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en R.P.Th. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009.


(get.) G. van der Wiel.



(get.) A.C. Palmboom.


CVG