Centrale Raad van Beroep, 13-01-2009 / 07-3867 WWB + 07-3874 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BH1351

Inhoudsindicatie
Gezamenlijke huishouding. Herziening en (mede-)terugvordering bijstand. Niet verschoonbare termijnoverschrijding indienen hoger beroep van appellante. Feitelijke woonsituatie. Verklaringen zijn vervat in een proces-verbaal dat op ambtsbelofte is opgemaakt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-01-13
Publicatiedatum
2009-02-04
Zaaknummer
07-3867 WWB + 07-3874 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/3867 WWB

07/3874 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden wonende te [woonplaats],


tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 mei 2007, 06/2837 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellanten


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College).


Datum uitspraak: 13 januari 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft mr. E. Osinga, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2008. Appellanten zijn niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma, werkzaam bij de gemeente Utrecht.


II. OVERWEGINGEN


1. Appellanten zijn tot 11 april 2001 met elkaar gehuwd geweest. Appellant heeft met ingang van 7 maart 2002 bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande. Hij stond ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaatsnaam]. Appellante, woonachtig in [woonplaats], [adres 2], ontving een uitkering ingevolge de WAO en was tevens werkzaam als zelfstandige.


1.1. Naar aanleiding van een anonieme telefonische melding dat appellant werkzaamheden verricht en al 3 à 4 jaar bij zijn ex-vrouw in [woonplaats] woont, is door de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In het kader van dit onderzoek hebben appellanten verklaringen afgelegd, hebben waarnemingen plaatsgevonden en hebben diverse getuigen in het kader van verrichte buurtonderzoeken verklaringen afgelegd. De resultaten van het onderzoek zijn vervat in het rapport van 7 maart 2006.


1.2. Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek heeft het College bij besluit van 6 februari 2006 de bijstand over de periode van 7 maart 2002 tot en met 30 november 2005 herzien (lees: ingetrokken), de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 42.067,90, van appellant teruggevorderd en appellante hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van dit bedrag.


1.3. Bij besluit van 30 juni 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2006 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op het standpunt, voor zover hier van belang, dat appellant vanaf 7 maart 2002 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellante op het adres [adres 2] te [woonplaats], dat appellant hiervan geen mededeling heeft gedaan aan het College en derhalve de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat hij als gevolg hiervan over de periode van 7 maart 2002 tot en met 30 november 2005 ten onrechte bijstand heeft ontvangen naar de norm voor een alleenstaande.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 30 juni 2006 ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank van oordeel is dat appellanten ten tijde hier van belang met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Het hoger beroep van appellante


4.1. De Raad stelt vast dat het namens appellant tijdig ingediende (voorlopig) hoger beroepschrift niet tevens namens appellante is ingediend en dat een later ingediend (voorlopig) hoger beroepschrift, dat wel mede namens appellante is ingediend, op 26 juli 2007 bij de Raad is ingekomen. In aanmerking nemende dat de beroepstermijn liep van 1 juni 2007 tot en met 12 juli 2007, volgt hieruit dat het hoger beroep namens appellante te laat is ingesteld.


4.2. Uit hetgeen de gemachtigde van appellante hierover desgevraagd heeft meegedeeld, blijkt dat het niet tijdig indienen van een hoger beroepschrift namens appellante berust op een omissie zijnerzijds. De Raad ziet hierin geen aanleiding de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar te achten.


4.3. Uit het onder 4.1. tot en met 4.2. overwogene volgt dat het hoger beroep namens appellante niet-ontvankelijk moet worden verklaard.


Het hoger beroep van appellant


4.4. In hoger beroep is primair aan de orde de vraag of appellant in de periode van 7 maart 2002 tot en met 30 november 2005 met appellante een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd in de zin van de Algemene bijstandswet (Abw) en de Wet werk en bijstand (WWB).


4.5. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Abw en de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.


4.6. Aangezien vaststaat dat appellanten tot 11 april 2001 met elkaar gehuwd zijn geweest, is voor de beantwoording van de vraag of ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellant zijn hoofdverblijf had in dezelfde woning als appellante.

4.7. Voor de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet naar vaste rechtspraak de feitelijke woonsituatie doorslaggevend worden geacht.


4.8. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.


4.9. De verklaringen die ten overstaan van de sociale recherche door de getuigen zijn afgelegd in het kader van het buurtonderzoek in de omgeving van [adres 2], bezien in samenhang met de verklaringen van appellanten dat appellant veelvuldig verbleef op het adres [adres 2] te [woonplaats], zowel in het weekend als doordeweeks en dat appellant daar in september of oktober 2005 is komen wonen, vormen naar het oordeel van de Raad voldoende grondslag voor de conclusie dat appellant in elk geval al vanaf 7 maart 2002 in [woonplaats] woonachtig was. Hierbij is in aanmerking genomen dat drie van de getuigen aan de hand van een hen getoonde pasfoto van appellant eensluidend hebben verklaard dat vanaf de oplevering van de nieuwe woningen in (de omgeving van) de Dintel op het adres [adres 2] ongeveer tegelijkertijd met die getuigen een gezin is komen wonen waarvan appellant deel uitmaakte en dat dit gezin gedurende de gehele verdere, hier ter beoordeling liggende periode, daar is blijven wonen. Twee andere getuigen hebben hetzelfde verklaard, weliswaar zonder pasfoto, maar uit die verklaringen blijkt genoegzaam dat het om appellant gaat. Eén van deze getuigen kent de voornamen van appellanten. De meeste getuigen weten ook te melden waar appellant werkzaam was en in welke auto hij reed. Alle verklaringen zijn vervat in een proces-verbaal dat op ambtsbelofte is opgemaakt.


4.10. Voorts hebben twee getuigen in het kader van het buurtonderzoek in de omgeving van [adres 1] te [plaatsnaam], eveneens aan de hand van een pasfoto van appellant, verklaard dat zij appellant nooit bij de woning op nummer [huisnummer] te hebben gezien. De ene getuige woonde al veertien jaar in de flat, de andere getuige was al vijftien jaar voorzitter van de bewonerscommissie van die flat. Het is naar het oordeel van de Raad dan ook niet aannemelijk dat appellant ten tijde hier van belang woonachtig is geweest op het adres waar hij ingeschreven stond.


4.11. De Raad kan aan de door appellant in beroep overlegde verklaringen van familieleden en kennissen, mede in het licht van de onder 4.9. tot en met 4.10. genoemde getuigenverklaringen, niet die betekenis toekennen die appellant daaraan gehecht wil zien.


4.12. Omdat appellant met appellante ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd in de zin van de WWB, moet hij als gehuwd worden aangemerkt. Appellant kon om die reden niet langer worden beschouwd als een zelfstandig subject van bijstand en had dan ook geen recht (meer) op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande.


4.13. Nu appellant van die gezamenlijke huishouding met appellante geen mededeling heeft gedaan aan het College heeft appellant niet voldaan aan de inlichtingenverplichting als neergelegd in artikel 65, eerste lid, van de Abw en artikel 17, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB en is appellant als gevolg hiervan ten onrechte bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande.


4.14. Het College was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd over te gaan tot intrekking van de bijstand. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.


4.15. Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om de gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen. De Raad stelt vast dat het College heeft gehandeld in overeenstemming met zijn door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in afwijking van dit beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Verklaart het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten door appellant.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2009.


(get.) A.B.J. van der Ham.




(get.) B.E. Giesen.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ‘s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.


IA