Centrale Raad van Beroep, 03-02-2009 / 07-336 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BH2434

Inhoudsindicatie
Bezwaar niet-ontvankelijk. Niet verschoonbare termijnoverschrijding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-02-03
Publicatiedatum
2009-02-10
Zaaknummer
07-336 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/336 WWB


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 december 2006, 05/3089 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch (hierna: College).


Datum uitspraak: 3 februari 2009


I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door

A.J.F.W. Vermeer en G.L.M.M. Didden. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Jacobs, werkzaam bij de gemeente ’s-Hertogenbosch.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellante ontving een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2. Bij besluit van 15 juni 2005 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 11 januari 2005 herzien (lees: ingetrokken) en de over de periode van 11 januari 2005 tot en met 30 april 2005 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2829,25 van haar teruggevorderd. Voorts heeft het College de bijstand met ingang van 1 mei 2005 beëindigd (lees: ingetrokken).


1.3. Op 9 augustus 2005 heeft het College het bezwaarschrift van appellante van 25 juli 2005 tegen het besluit van 15 juni 2005 ontvangen.


1.4. Het College heeft appellante bij brief van 29 augustus 2005 medegedeeld dat het bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn is ontvangen en heeft haar in de gelegenheid gesteld aan te geven of er sprake is geweest van bijzondere omstandigheden die geleid hebben tot de te late indiening van het bezwaarschrift.


1.5. Bij besluit van 28 september 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 15 juni 2005 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaarschrift niet binnen de ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldende termijn is ingediend en dat voorts niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 september 2005 ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij heeft zij onder verwijzing naar de brief van haar huisarts van 2 augustus 2006 aangevoerd dat zij in de periode van belang niet in staat was haar belangen adequaat te behartigen en een bezwaarschrift in te dienen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift of een beroepschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die - zoals het besluit van 15 juni 2005 - tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Een bezwaarschrift is ingevolge artikel 6: 9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.


4.2. In het voorliggende geval is niet in geschil dat het besluit van 15 juni 2005 op de voorgeschreven door het College is bekendgemaakt door aangetekende verzending aan het adres van appellante. De Raad stelt voorts vast dat appellante niet betwist dat zij het besluit heeft ontvangen, zodat de bezwaartermijn op 16 juni 2005 is aangevangen en op 27 juli 2005 is geëindigd. Het College heeft dan ook terecht geconcludeerd dat het bezwaarschrift, ingekomen op 9 augustus 2005, niet voor het einde van de in artikel 6:7 van de Awb bedoelde termijn is ontvangen.


4.3. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.


4.4. Ten aanzien van de vraag van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding overweegt de Raad het volgende. Appellante heeft aangevoerd dat zij volledig in de war is geraakt ten gevolge van de moord op haar partner die op 9 mei 2004 in haar aanwezigheid plaatsvond, om welke reden zij niet in staat was het bezwaarschrift tijdig op te sturen. Het behoeft geen betoog dat moet worden gesproken van een uitermate belastende gebeurtenis in het leven van appellante. Dit neemt niet weg dat naar het oordeel van de Raad onvoldoende is gebleken dat appellante dientengevolge ruim een jaar later buiten staat is geweest haar belangen in genoegzame mate te behartigen of te doen behartigen naar aanleiding van het besluit van 15 juni 2005. Geobjectiveerde medische gegevens hieromtrent zijn niet overgelegd. De verklaring van de huisarts van 2 augustus 2006 levert naar het oordeel van de Raad onvoldoende aanleiding op om te oordelen dat appellante niet in staat was tijdig een bezwaarschrift in te dienen. In dit verband kan de Raad er voorts niet aan voorbijzien dat het bezwaarschrift is gedateerd op 25 juli 2005, hetgeen erop wijst dat dit stuk nog binnen de bezwaartermijn - zelfs enkele dagen vóór afloop daarvan - kon worden opgesteld. Appellante heeft ter zitting van de Raad bevestigd het bezwaarschrift tijdig te hebben opgesteld, doch zij heeft aangegeven geen juiste inschatting van de tijd voor het ter post bezorgen van het bezwaarschrift te hebben gemaakt. Deze door appellante aangevoerde omstandigheden kunnen niet leiden tot het oordeel dat de termijnoverschrijding haar niet kan worden tegengeworpen. Ook anderszins is de Raad niet gebleken van feiten of omstandigheden die dit oordeel niet rechtvaardigen.


4.5. Uit hetgeen onder 4.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


4.6. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2009.


(get.) Th.C. van Sloten.


(get.) N.L.E.M. Bynoe.


RB