Centrale Raad van Beroep, 20-02-2009 / 07-1597 WAO


ECLI:NL:CRVB:2009:BH3886

Inhoudsindicatie
De Raad is van oordeel dat de medische beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid van appellant zoals door de bezwaarverzekeringsarts weergegeven in het rapport onvoldoende zijn verwerkt in de FML waardoor de medische grondslag onvoldoende zorgvuldig is vastgesteld en ontbeert het bestreden besluit een voldoende draadkrachtige motivering. Urenbeperking in verband met behandelingen; voorwaarde van extra ondersteuning op de (toekomstige) werkplek; en beperkingen voor aandacht en concentratieproblemen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-02-20
Publicatiedatum
2009-03-03
Zaaknummer
07-1597 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/1597 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)


tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 februari 2007, 06/2416 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 20 februari 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad heeft het Uwv bij brief van 2 september 2008 nog een rapport van de bezwaarverzekeringsarts M. Carere van 1 september 2008 ingestuurd. Hierop is namens appellant gereageerd bij brief van 9 september 2008.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 9 januari 2009. Namens appellant is verschenen mr. De Glas, voornoemd. Namens het Uwv is verschenen mr. R.A. van de Berkt.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellant heeft zich op 16 december 1993 ziek gemeld vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet wegens ontsteking van een zweetklier en later psychische klachten. Daarvoor was appellant laatstelijk werkzaam als metaalnabewerker.


1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd werd appellant met ingang van 15 december 1994 een uitkering op grond van de onder meer Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.3. In het kader van een herbeoordeling in verband met het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit heeft verzekeringsarts E.M.J. Klerkx-Maassen appellant onderzocht tijdens een spreekuurcontact. In haar rapport van 21 juni 2005 heeft deze verzekeringsarts geconcludeerd dat appellant is aangewezen op werk zonder onregelmatige of nachtdiensten en dat het werkaanbod gestructureerd dient te zijn. Tevens is appellant beperkt wat betreft sterke tijdsdruk, dwingend hoge tempobelasting, conflicterende functie-eisen en conflicthantering. Naar aanleiding van de brief van de behandelend psychiater G. Schuthof van 29 juli 2005 heeft de verzekeringsarts op 4 augustus 2005 aanvullend gerapporteerd en geconcludeerd dat deze informatie geen aanleiding geeft om de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 21 juni 2005 te wijzigen. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige F. Melchers in een rapport van 22 en 25 augustus 2005 na functieduiding het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 8,3%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 29 augustus 2005 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 27 oktober 2005 ingetrokken.


2. In de bezwaarfase is onderzoek verricht door bezwaarverzekeringsarts M. Carere. Deze verzekeringsarts, die bij de hoorzitting aanwezig is geweest en kennis heeft genomen van de op zijn verzoek verstrekte informatie van 23 februari 2006 van huisarts A.A.M. van Erp, heeft in het rapport van 10 maart 2006 geconcludeerd dat er geen aanleiding is om af te wijken van het primaire medische oordeel. Bij besluit van 12 april 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 augustus 2005 gegrond verklaard en bepaald dat de WAO-uitkering met ingang van 30 oktober 2005 wordt beëindigd.


3. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank, kort weergegeven, geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het besluit op een voldoende medische grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank, mede gelet op het aanvullende arbeidskundig rapport van 31 oktober 2006, geen aanknopingspunten gezien om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant ongeschikt te achten. Nu een deugdelijke arbeidskundige toelichting op die functies eerst na de datum van het bestreden besluit is verkregen, dient, aldus de rechtbank, dit besluit vernietigd te worden, maar bestaat er aanleiding om de rechtsgevolgen ervan geheel in stand te laten.


4. In hoger beroep heeft appellant - kort samengevat - aangevoerd dat onvoldoende is gemotiveerd waarom er bij hem geen sprake meer is van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. De psychische beperkingen van appellant zijn door het Uwv onderschat. Het Uwv heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat intensieve begeleiding op de werkplek mogelijk is. Tevens is het medisch onderzoek niet zorgvuldig geweest nu de bezwaarverzekeringsarts niet is ingegaan op het oordeel van de huisarts dat betwijfeld moet worden of appellant wel tot het verrichten van enige arbeid in staat is.


5.1. De Raad overweegt als volgt.


5.2. In het rapport van 10 maart 2006 heeft bezwaarverzekeringsarts Carere aangegeven dat er naar haar mening een urenbeperking aan de orde is van 36 uur per week in verband met de behandelingen die appellant nog heeft bij meerdere behandelaars (voor meerdere uren per week). In het rapport van 28 maart 2006 geeft deze bezwaarverzekeringsarts echter aan dat de urenbeperking komt te vervallen omdat volgens de bezwaararbeidsdeskundige van een werkgever verwacht mag worden dat hij voor het volgen van behandelingen tijd beschikbaar stelt.


5.3. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts hiermee, mede gelet op hetgeen in de Standaard Verminderde Arbeidsduur is vermeld bij de indicatie ‘beschikbaarheid’, onvoldoende onderzoek gedaan naar het feitelijke tijdsbeslag van de behandeling en dientengevolge onvoldoende gemotiveerd waarom er geen urenbeperking is aangenomen.


5.4. Voorts overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 10 maart 2006 heeft aangegeven dat op de toekomstige werkplek een prettige sfeer is gewenst, waarbij appellant steun kan krijgen van een positief ingestelde leidinggevende of collega. Gelet op de formulering betreft dit naar het oordeel van de Raad een voorwaarde (van extra ondersteuning) waaraan de toekomstige werkplek moet voldoen en niet slechts een wenselijkheid, zoals door bezwaarverzekeringsarts Carere desgevraagd is aangegeven in het rapport van 1 september 2008. Naar het oordeel van de Raad is met voornoemd rapport van 1 september 2008 niet overtuigend gemotiveerd waarom hiervoor geen specifieke beperking is opgenomen in de FML. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking de in het rapport van 10 maart 2006 door deze bezwaarverzekeringsarts in aansluiting op de zin inzake een toekomstige werkplek gemaakte opmerking over de voorwaarden van intensieve begeleiding door een goed re-integratie bureau, capabel in omgang met patiënten met psychische problemen, bij werkhervatting door appellant.


5.5. Ten slotte overweegt de Raad dat ter zitting niet kon worden verklaard dat met een beperking ten aanzien van zelfstandig handelen voldoende rekening is gehouden met de aandacht- en concentratieproblemen van appellant, zoals de bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven op pagina acht van het rapport van 10 maart 2006.


5.6. Gelet op hetgeen onder 5.1 t/m 5.5 is overwogen is de Raad van oordeel dat de medische beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid van appellant, zoals door de bezwaarverzekeringsarts weergegeven in het rapport van 10 maart 2006, niet alle dan wel onvoldoende zijn verwerkt in de FML van 29 maart 2006. Hierdoor is de medische grondslag van het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig vastgesteld en ontbeert het bestreden besluit een voldoende draagkrachtige motivering.


5.7. Uit hetgeen onder 5.6 is overwogen volgt dat de Raad niet meer toekomt aan een beoordeling van de medische geschiktheid van de geduide functies.


5.8. Gelet op overweging 5.6 dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. Het Uwv dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.


6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden voor verleende rechtsbijstand begroot op € 644,-.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 12 april 2006 in stand zijn gelaten;

Draagt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op om, met inachtneming van deze uitspraak van de Raad, een nieuw besluit op het bezwaar te nemen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 106,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2009.


(get.) C.W.J. Schoor.


(get.) M.A. van Amerongen.


TM