Centrale Raad van Beroep, 16-02-2009 / 08-7390 AW-VV + 08-7391 AW-VV


ECLI:NL:CRVB:2009:BH4218

Inhoudsindicatie
Niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om een voorlopige voorziening wegens overschrijding van het betalingstermijn van het griffierecht.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-02-16
Publicatiedatum
2009-02-27
Zaaknummer
08-7390 AW-VV + 08-7391 AW-VV
Procedure
Voorlopige voorziening



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/7390 AW-VV

08/7391 AW-VV


Centrale Raad van Beroep


U I T S P R A A K


van


DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP


inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in de gedingen tussen:


[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),


en


de Staatssecretaris van Financiën.


Datum uitspraak: 16 februari 2009.


I. PROCESVERLOOP


Verzoeker heeft bij brief van 4 december 2008 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo d.d. 2 december 2008 met reg.nrs. 08/241 en 242 AW.


Bij brief van 4 december 2008 is verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


II. OVERWEGINGEN


Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen, dat vereist.


In het eerste lid van artikel 23 van de Beroepswet is bepaald dat door de griffier een griffierecht wordt geheven. Artikel 22, vierde lid, van de Beroepswet is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden twee weken bedraagt.


Bij schrijven van 5 januari 2009 is verzoeker erop gewezen dat verzoeker ter zake van het ingediende verzoek een griffierecht van € 216,00 is verschuldigd, welk bedrag binnen twee weken na dagtekening van die brief diende te zijn voldaan, bij voorkeur door middel van de aangehechte acceptgirokaart.


Bij aangetekende brief van 19 januari 2009 is verzoeker nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen één week na dagtekening diende te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel per kas diende te zijn gestort. Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om voorlopige voorziening.


Ook binnen die termijn is het griffierecht niet voldaan.


Bovenstaande leidt ertoe dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard onder toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb.


Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


III. BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,


Verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk.


Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.N. Rijnsewijn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2009.


(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.


(get.) P.N. Rijnsewijn.


BvW