Centrale Raad van Beroep, 17-02-2009 / 07-6396 WWB + 07-6402 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BH4346

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag. Verzoek om terug te komen van: anders dan de rechtbank ordeelt de Raad dat hetgeen namens betrokkenen is aangevoerd niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Afsluiten van nulurencontract; minder inkomsten uit arbeid dan verwacht. Betrokkene heeft geen bezwaar gemaakt tegen de (eerdere) intrekking van de bijstand.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-02-17
Publicatiedatum
2009-03-02
Zaaknummer
07-6396 WWB + 07-6402 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/6396 WWB

07/6402 WWB



Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Pijnacker-Nootdorp (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 oktober 2007, 06/6514 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


M. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) en L. [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]), beiden wonende te Pijnacker-Nootdorp (hierna: betrokkenen)


en


appellant.



Datum uitspraak: 17 februari 2009



I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Poldermans, werkzaam bij de gemeente Pijnacker-Nootdorp. [betrokkene 1] is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Gilsing, advocaat te Den Haag. [betrokkene 2] is niet verschenen.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Betrokkenen ontvingen sinds 1 december 2003 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 28 april 2005 is de bijstand met ingang van 4 april 2005 ingetrokken omdat [betrokkene 1] vanaf die datum inkomsten uit arbeid ontving bij loonbedrijf [naam loonbedrijf] te Den Haag. Tegen dit besluit hebben betrokkenen geen rechtsmiddel aangewend.


1.2. [betrokkene 1] heeft zich op 15 juni 2005 opnieuw gemeld bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI) voor het doen van een aanvraag om bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met ingang van 4 april 2005.


1.3. Bij besluit van 24 augustus 2005 is aan betrokkenen met ingang van 15 juni 2005 bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden. Bij dit besluit heeft appellant tevens de bijstand van betrokkenen verlaagd met 20% gedurende één maand, op de grond dat [betrokkene 1] de kansen op een vaste dienstbetrekking heeft verspeeld door voor verschillende uitzendbureaus te gaan werken in plaats van gebruik te maken van een door appellant aangeboden traject naar vast werk.


1.4. Het hiertegen door betrokkenen gemaakte bezwaar is bij besluit van 29 juni 2006 in zoverre gegrond verklaard dat de opgelegde maatregel van 20% gedurende één maand ongedaan is gemaakt en het primaire besluit is herroepen. De toekenning van bijstand met ingang van 15 juni 2005 is gehandhaafd. Appellant achtte geen bijzondere omstandigheden aanwezig die het toekennen van bijstand met ingang van 4 april 2005 rechtvaardigen.


2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over de proceskosten en het griffierecht, het namens betrokkenen ingestelde beroep tegen het besluit van 29 juni 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant het verzoek om bijstand over de periode van 4 april 2005 tot 15 juni 2005 ten onrechte heeft behandeld als een nieuwe aanvraag en niet heeft aangemerkt als een verzoek van betrokkenen aan appellant om terug te komen van zijn eerdere in rechte vaststaand besluit van 28 april 2005. Achteraf is gebleken dat [betrokkene 1], die bij het loonbedrijf een zogenaamd nulurencontract had zodat ten tijde van de intrekking niet bekend was hoeveel uren hij zou kunnen werken, in de periode van 4 april 2005 tot 15 juni 2005 slechts een paar uur heeft gewerkt. Naar het oordeel van de rechtbank had appellant in die omstandigheid aanleiding moeten zien het besluit van 28 april 2005 te herzien.


3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd tot en met de datum van het primaire besluit. In aanmerking genomen dat appellant aan betrokkenen met ingang van 15 juni 2005 bijstand heeft toegekend betekent het voorgaande dat ter beoordeling voorligt de periode van 4 april 2005 tot 15 juni 2005.


4.2. De Raad acht het aangewezen bij zijn beoordeling onderscheid te maken tussen de reeds beoordeelde periode van 4 april 2005 tot en met 28 april 2005 en de periode van 29 april 2005 tot 15 juni 2005.


4.3.1. Voor wat betreft de periode van 4 april 2005 tot en met 28 april 2005 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant heeft miskend dat ten aanzien van deze periode het verzoek van betrokkenen niet moet worden aangemerkt als een (nieuwe) aanvraag gericht op het verkrijgen van bijstand, maar als een verzoek van betrokkenen aan appellant om terug te komen van zijn eerdere, in rechte onaantastbaar geworden besluit van 28 april 2005. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. De bestuursrechter dient dan het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.


4.3.2. Anders dan de rechtbank en met appellant is de Raad van oordeel dat hetgeen namens betrokkenen is aangevoerd niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat [betrokkene 1] met zijn werkgever een zogenoemd nulurencontract had afgesloten. Niet is aangetoond of anderszins gebleken dat hem vooraf de toezegging is gedaan dat hij vanaf 4 april 2005 een gegarandeerd aantal uren werk zou krijgen. Voorts is hem al vrij snel na 4 april 2005 duidelijk geworden dat hij minder inkomsten uit arbeid ontving dan verwacht. [betrokkene 1] heeft in deze omstandigheden geen aanleiding gezien bezwaar te maken tegen het besluit tot intrekking van de bijstand van 28 april 2005. Niet is gebleken dat dit voor hem niet mogelijk zou zijn geweest. De omstandigheid dat zijn echtgenote in die periode bevallen is van een kind, maakt dat niet anders. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat de afwijzing van de aanvraag om bijstand over de periode van 4 april 2005 tot en met 28 april 2005 in rechte stand houdt.


4.4. Voor wat betreft de periode vanaf 29 april 2005 tot 15 juni 2005 overweegt de Raad dat appellant terecht de artikelen 41, 43 en 44 van de WWB van toepassing heeft geacht. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van deze artikelen, wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaande aan de datum waarop de betrokkene zich bij het CWI heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Met appellant is de Raad van oordeel dat van zodanige omstandigheden niet is gebleken. Hieruit vloeit voort dat appellant terecht de aanvraag om bijstand over de periode van 29 april 2005 tot 15 juni 2005 heeft afgewezen.


5.1. Het voorstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, behoudens voor zover daarin omtrent de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten is beslist. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 29 juni 2006 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen voor zover dit betrekking heeft op de periode van 4 april 2005 tot en met 28 april 2005. In hetgeen hiervoor in 4.3.2 is overwogen ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van het besluit in stand te laten.


5.2. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is beslist omtrent griffierecht en proceskosten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 29 juni 2006 voor zover betrekking hebbend op de periode van 4 april 2005 tot en met 28 april 2005;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van dat besluit in stand blijven.



Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2009.



(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.



(get.) R.B.E. van Nimwegen.




IJ